Hoe zit het ook al weer met de compensatieregeling die de verzekeraars met onder andere de Stichting Verliespolis hebben afgesloten in de woekerpolisaffaire? De VEB legt uit.
Miljoenen beleggingsproducten wisten de verzekeraars de afgelopen jaren te slijten. Ze profiteerden zelf flink mee door torenhoge, vaak verborgen kosten te berekenen.
Want wat t er ook zou gebeuren op de beurs, bezitters van beleggingsverzekeringen zijn voordat ze beginnen met beleggen al 40 procent van hun inleg kwijt aan premies, kosten en provisies.
De VEB sloot allianties en kwam in actie. Dat gebeurde via de stichting Verliespolis, waarvan het bestuur wordt gevormd door de VEB en de Vereniging Eigen Huis.
Lees ook:
Oprichting Verliespolis
Verliespolis, de voorgeschiedenis
De Compensatiemethode
De compensatiemethode is ontwikkeld door de ombudsman financiële dienstverlening, Jan Wolter Wabeke. De ombudsman heeft in maart 2008 een aanbeveling gedaan, waarbij het jaarlijkse brutorendement voor beleggingsverzekeringen met maximaal 3,5 procent mag worden verlaagd ter dekking van de kosten voor de verzekeraar.
Deze 3,5 procent rendementsafslag bevat onder andere de kosten voor de tussenpersoon, het beheer van de beleggingsfondsen, polisadministratie en natuurlijk de winst voor de verzekeraar. Beleggingsverzekeringen met een garantie-element mogen volgens de ombudsman jaarlijks een 1,0 procent hogere rendementsafslag hebben (dus 4,5% totaal), vanwege de extra kosten van de garantie.
Rendementsafslag verlaagd
De Stichting Verliespolis heeft in de onderhandelingen met de verzekeraars de percentages van de aanbeveling van de ombudsman stevig verlaagd, voor de meeste polissen naar 2,45 en 2,85 procent en met een lagere opslag voor garanties.
In de media worden de kosten van een beleggingsverzekering vaak gerelateerd aan de inleg van de klant. Helaas biedt deze ratio nauwelijks inzicht in de redelijkheid van de kostenstructuur. Een product dat soms wel veertig jaar loopt accumuleert in de loop der jaren veel kosten, bijvoorbeeld voor het beheer van de beleggingsfondsen.
Onderstaande tabel met een aantal combinaties van rendementsafslagen en brutorendementen per jaar laat zien dat de ratio kosten als percentage van de inleg inderdaad weinigzeggend is voor een veertigjarige polis.

Dus een klant met een polis met een brutorendement van 6 procent per jaar en een rendementsafslag van 2,85 procent betaalt 92 procent van de inleg aan kosten. Zoals te verwachten resulteert een hogere rendementsafslag in een groter deel van de inleg dat wordt opgeslokt door kosten.
Minder bekend is dat ook het brutorendement een grote invloed heeft. Een hoog rendement zorgt er namelijk voor dat er meer (tussentijds) vermogen wordt opgebouwd. Aangezien - vereenvoudigd gezegd - de in de compensatieregelingen afgesproken maximale rendementsafslag als percentage over hogere tussentijdse vermogens wordt geheven, mag de verzekeraar in euro's meer kosten in rekening brengen.
Wanneer deze hogere kosten worden gerelateerd aan de inleg, ontstaat het fenomeen dat hogere rendementen ook hogere ratio's toelaten en vice versa. De volgende tabel geeft de maximale kosten in euro's weer, uitgaande van veertig jaar inleg van 100 euro.

De klant mag met 2,85 procent jaarlijkse rendementsafslag dus maximaal 3.662 euro over de hele looptijd aan kosten betalen (bij een inleg van 4.000 euro), uitgaande van 6 procent brutorendement per jaar.
Niet zichtbaar in de tabel is dat de klant uiteindelijk ondanks deze hoge kosteninhouding een eindkapitaal van ruim 8.000 euro opbouwt, dankzij het beleggingsresultaat (er resteert namelijk nog het jaarlijks nettorendement van 6-2,85=3,15%).
De tabellen geven de maximaal toegestane kosten weer. De uiteindelijke impact van de regeling hangt sterk af van de daadwerkelijke kostenstructuur, in het bijzonder welk deel van de kosten vast is (in euro) en welk deel variabel (percentage van beheerd vermogen of inleg). Daarnaast kan het kostenniveau in de toekomst structureel hoger of lager worden, wat natuurlijk de hoogte van de eventuele compensatie beïnvloedt.
Maar in elk geval zijn bij hoge rendementen meer kosten en bij tegenvallende rendementen minder kosten toegestaan, zowel relatief als in euro's. De compensatieregeling werkt dus dempend voor de klant.
Overlijdensrisicoverzekeringen
De rendementsafslag is exclusief de premie van de overlijdensrisicoverzekering, waarover de ombudsman in zijn aanbeveling meldde dat die vergelijkbaar moet zijn met de premie van een los verkrijgbare overlijdensrisicoverzekering.
De Stichting Verliespolis heeft via onderhandelingen met de verzekeraars de methode van de aanbeveling ook op dit belangrijke punt aangescherpt en verfijnd. Dit vooral om te vermijden dat verzekeraars excessieve kosten kunnen ‘verstoppen' in het overlijdensrisicodeel van de beleggingsverzekering en daarmee de compensatie kunnen drukken.
In technische termen: de verzekeraar mag een beperkte (meestal 16%) opslag op de ‘kale' overlijdensrisicopremie hanteren bij de bepaling van een eventuele compensatie, gecombineerd met het gebruik van redelijk recente sterftetafels. |