“Ik vrees de Grieken ook al brengen zij geschenken” – zeker één van de beroemdste zinnen uit de wereldliteratuur (samen met “Zijn of niet zijn, dat is de vraag” en “Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht No 37”).
Het zijn de woorden waarmee volgens Vergilius de priester Laocoön zijn Trojaanse stadsgenoten waarschuwt tegen het grote houten paard dat opeens voor de poort staat. Zoals bekend vruchteloos – die waarschuwing. Een gratis buitenkansje blijkt lastig te weerstaan, net als risicoloos rendement.
Inmiddels weten we dat we de Grieken ook moeten vrezen als ze geschenken krijgen. In dit geval 45 miljard euro aan leningen waar het land op de vrije markt niet aan zou kunnen komen. Ondanks dit royale gebaar van de eurolanden en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) zakt de euro dagelijks tegen de belangrijkste andere munten in de wereld. Ook Griekenland zelf lijkt weinig op te schieten met het vooruitzicht van de noodkredieten.
De Griekse overheid – de directe opvolgers van de slimme paardenbouwers dus – betaalt inmiddels 13,5 procent op haar tweejarige staatsschuld. Er is geen (ontwikkelings) land dat meer betaalt. Argentinië en Venezuela, twee notoire kwajongens op de internationale kapitaalmarkt, komen goedkoper aan hun geld. Slik. Het marktpessimisme over Griekenland en daarmee de euro komt allereerst voort uit onzekerheid over de realisatie van het noodpakket – de EMU kent geen procedure voor dit soort reddingsacties.
Vooral omdat het helemaal niet de bedoeling was dat deze zich ooit voor zouden doen. Alle vijftien eurolanden (buiten Griekenland) zullen hun eigen nationale besluitvormingsproces moeten doorlopen. Daarnaast is er scepsis over de mogelijkheid van de Grieken om de snoeiharde hervormingen door te voeren die nodig zijn om de overheidsfinanciën op orde te krijgen. En dan is er nog de onduidelijkheid over de coördinatie tussen het IMF en Europa.
Terwijl ook de Portugese, Spaanse en Ierse staatsleningen onder vuur liggen als gevolg van de Griekse crisis, is duidelijk dat we de volgende fase van de kredietcrisis zijn ingegaan. Na de Amerikaanse huizenmarkt in 2006, hedgefunds in 2007, banken in 2008 en nationale overheden in 2009, is dit jaar ‘het Europese project’ aan de beurt. De inzet wordt daarbij steeds groter.
Nu we collectief als Europese burgers garant staan voor de Griekse regering, moeten we constateren dat de structuur van de EMU niet meer voldoet. De discussies en onderhandelingen over het probleem van 2008 – banken, hun vorm, risico’s en toezicht – beginnen eigenlijk net, maar Europa kan zich niet permitteren lang te wachten met het volgende fundamentele debat.
Dat kan maar twee kanten op: ofwel de euro krijgt een achterdeur waarlangs we wanpresterende lidstaten kunnen verwijderen, ofwel we krijgen een werkelijke politieke unie, zodat we ervoor kunnen zorgen dat het zover niet komt. Het alternatief is periodiek een blanco cheque afgeven.
Meer columns van Jan maarten Slagter