De afgelopen weken was de bekende goeroe Marc Faber in Nederland. Er kwamen hordes mensen op zijn seminars af. Iets waar hij zich zorgen over maakt. Want in beleggingsland verdien je het meest als je tegen de massa in gaat. En die massa komt nu naar hem.
Maar waar Faber zich vooral zorgen om maakt is de enorme toename van de geldhoeveelheid. De centrale banken drukken maar geld bij. De voornaamste reden voor dit gedrag is dat Bernanke heeft geleerd van de jaren dertig en de jaren negentig in Japan. In beide gevallen was er een kredietcrisis. En in beide gevallen werd er flink gespaard om dit weer op orde te krijgen. Logisch, maar het zorgde wel voor een dramatisch effect op de economische groei.
In beide gevallen leidt het spaargedrag tot deflatie. Om dit te voorkomen pompten de centrale banken massa’s geld in het systeem en voerden de overheden stimuleringsprogramma’s uit.
Voorlopig lijken we nog weinig van die inflatie te merken. Werknemers durven in dit soort tijden nauwelijks loonsverhoging te vragen. Ook in de winkels stijgen de prijzen niet echt. Wel ging de wegenbelasting met 5 procent omhoog. Maar ja, de overheid heeft nou eenmaal een monopolie op belasting heffen. Nee, voordat er echte inflatie komt, moet eerst de vraag aantrekken en dat lijkt nog niet snel te gebeuren.
Maar stel, het gebeurt wel en er komt een golf met hyperinflatie. Moet je dan nog wel in aandelen beleggen? Zelf gebruik ik altijd het voorbeeld van Zimbabwe. Ik heb er hard naar moeten zoeken, maar er is wereldwijd één beleggingsfonds dat zich puur op Zimbabwe richt. Het Imara Zimbabwe Fund.
Aan de koersontwikkeling van dit fonds is mooi te zien hoe aandelen zich in perioden van hyperinflatie gedragen. Sinds begin 2007 heeft u daar ongeveer 20 procent (in euro’s natuurlijk) mee verdiend, met hoge pieken en lage dalen, dat wel. Maar AEX-beleggers kunnen alleen maar van dit soort rendementen dromen.
Die hebben in deze periode 30 procent verloren. En sterker nog, zelfs China bleef in deze periode bij Zimbabwe achter. Waarom deden die Zimbabwaanse aandelen het zo goed? Het antwoord is eigenlijk simpel. In perioden van bijvoorbeeld 20 procent inflatie gaan de omzetten met 20 procent omhoog en de kosten ook. En dus de winsten ook. Waardoor de koersen uiteindelijk ook met 20 procent stijgen.
Faber gebruikt graag het voorbeeld van Mexico. Ook daar was u na een jaar of tien de inflatie makkelijk ruimschoots voorgebleven. Maar ook daar waren er extreme fluctuaties. In de periode 1975–1995 stegen de koersen van 100 naar 450.000. Maar dat is natuurlijk in peso gemeten. Als Nederlandse belegger zag u uw vermogen in Mexicaanse aandelen van 100 naar 2.200 gaan. Dat is toch een kleine 17 procent op jaarbasis. Dat is een aardige vergoeding voor deze bescherming.
De les die we kunnen leren is dat aandelen een aardige vluchtheuvel vormen in perioden van hyperinflatie, maar dat het onzekere tijden zijn. En in onzekere tijden zullen koersen een achtbaanachtig verloop hebben. Maar ja, met een zogenaamd ‘veilige’ spaarrekening ziet u sowieso het geld verdampen.
Meer columns van Corné van Zeijl