Een prestigieus evenement in New York. Een straalverbinding met Amsterdam, waar VEB-leden over beleggen in de Verenigde Staten worden bijgepraat. “Leuk hoor, maar waar is dat eigenlijk allemaal goed voor?” hoor ik u vragen. “Is er niet genoeg te doen in Nederland? Zijn jullie al klaar met Fortis? Hoe moet het verder met Van der Moolen? Wat doen jullie aan de kabinetsplannen om de aandeelhoudersrechten te verminderen?”
U hoort ons niet zeggen dat Nederland af is als aandeelhoudersland – integendeel. Maar soms kan het zin hebben om er vanuit een ander perspectief naar te kijken. En dan is de Gouden Eeuw een interessante spiegel. De ontstaansgeschiedenis van New York is een verhaal van
Nederlandse koopmansgeest en van de ongekende kracht van verhandelbaar risicodragend kapitaal. New York dankt zijn bestaan aan een kleine handelspost van een van de eerste Nederlandse beursgenoteerde bedrijven, de West Indische Compagnie.
Nieuw Amsterdam nam een voorbeeld aan zijn naamgever en was al snel het belangrijkste handelscentrum van de nieuwe wereld.
De open, liberale handelsgeest overleefde de ‘vijandige overname’ door de Britten in 1664. De oprichting van de New York Stock Exchange in 1792 was hiervan een logisch gevolg. Met de fusie in 2007 van de New York Stock Exchange met Euronext werd de cirkel na bijna vier eeuwen weer gesloten. Nederland heeft nog steeds een open en internationaal georiënteerde
economie. Dat is sinds de tijden van Henry Hudson en Peter Stuyvesant de basis van onze welvaart. Bij vrije handel hoort ook vrij verkeer van kapitaal. Nederlandse pensioenfondsen en verzekeraars horen bij de grootste grensoverschrijdende beleggers. De handel op de Amsterdamse beurs wordt voor ongeveer twee derde door buitenlandse partijen gedragen. Dat is goed voor Nederlandse bedrijven, die daarmee hun kapitaalkosten zo laag
mogelijk kunnen houden. En het is goed voor Nederlandse beleggers, die profiteren van een liquide markt waarin ze altijd een tegenpartij kunnen vinden.
De aantrekkelijkheid van de Nederlandse beurs voor internationaal kapitaal is een element dat je niet vaak hoort in de huidige discussie over de verhoudingen in het beursgenoteerde bedrijfsleven. Daardoor heeft deze
discussie een uitermate provinciaals karakter. Alsof we het in de Nederlandse financiële wereld nog allemaal in het Amsterdamse koffiehuis kunnen regelen. Er wordt wel gepraat over de manier waarop Nederlandse pensioenfondsen voor de langere duur aan lokale beursfondsen kunnen worden gebonden, maar ik moet de eerste ‘opinieleider’, minister, bankier nog horen die zich afvraagt hoe we ervoor kunnen zorgen dat buitenlandse beleggers in de Nederlandse markt geïnteresseerd blijven. Dat gesprek wil de VEB graag aangaan. En daarvoor is de ‘Waalstraat’, naast het Binnenhof en het Damrak, een uitstekend podium.
Meer columns van Jan Maarten Slagter