“Het is niet genoeg om te slagen. Anderen moeten mislukken.” Niet de aardigste uitspraak van niet de aardigste Amerikaanse schrijver, Gore Vidal (bijnaam “Mij, mij”). Maar de oneliner bevat net te veel waarheid om snel te vergeten. De economische wetenschap onderschrijft het door Vidal omschreven principe: de meeste mensen geven boven een bepaald bestaansminimum de voorkeur aan een lager salaris als de directe omgeving nog minder verdient, boven een hoger inkomen wanneer dat achterblijft bij dat van de buurman en de zwager.
Allemaal gedachten die door het hoofd gaan bij lezing van een recent interview in Het Financieele Dagblad met Ruud Galle, sinds kort directeur van de Nationale Coöperatieve Raad voor land- en tuinbouw (NCR) en daarnaast hoogleraar verenigings- en coöperatierecht in Tilburg. Kortom: dé Nederlandse coöperatie-expert.
Als zodanig heeft Galle in het huidige klimaat de wind in de rug. En dat wil hij weten. “Beursgenoteerde vennootschappen zijn machines geworden waar geld tot doel is gemaakt. Coöperaties gaan niet voor de maximale winst, maar voor zo goed mogelijke condities voor haar leden.” “In tegenstelling tot aandeelhouders kunnen leden niet zomaar uit de coöperatie stappen. Zij moeten hun zeggenschap echt inhoud geven. De aandeelhouder is een consument, het coöperatielid een medeondernemer die voor lange termijn verbonden is aan de coöperatie.”
Als verenigingsbestuurder voel ik natuurlijk geen enkele aandrang de coöperatieve gedachte aan te vallen. ‘Samen sterk’, ook het uitgangspunt van de VEB NCVB, is een krachtig beginsel waar sterke organisaties op zijn gebouwd. Maar het heeft volgens mij niet zo veel zin de coöperatie en de (beursgenoteerde) naamloze vennootschap op deze manier tegenover elkaar te zetten. Het zijn verschillende rechtspersonen die bedoeld zijn voor verschillende situaties. De coöperatie is een model voor langdurige samenwerking tussen zelfstandige beroepsgenoten. De beursvennootschap is bedoeld om snel toegang te verlenen tot grote hoeveelheden anoniem risicodragend kapitaal.
De flexibiliteit van de aandeelhouders van de beursvennootschap – anderen spreken van trouweloosheid – is nu juist de grote kracht. Vrijwel altijd is er wel iemand te vinden die – tegen een prijs! – bereid is het risico van de onderneming te dragen. Hoe slecht de omstandigheden ook zijn.
De coöperatie is voor haar kapitaalbehoefte aangewezen op de beperkte kring van haar leden. Dit maakt groei lastig en beperkt fusie- en overnamekansen grotendeels tot de coöperatieve wereld – zie de moeizame pogingen op dit terrein van de Rabobank de afgelopen tien jaar.
En de leden zijn aangewezen op de coöperatie – ze kunnen inderdaad ‘niet zomaar uit de coöperatie stappen’. Ik kan mij persoonlijk omstandigheden voorstellen waarin dat geen voordeel is.
Kortom: coöperatie en beursvennootschap hebben allebei hun rol. Maar ze vergelijken is net zo zinvol als van een fiets constateren dat je er minder mee kunt vervoeren dan met een kruiwagen.
Meer columns van Jan Maarten Slagter