Het afgelopen jaar zal ongetwijfeld als een van de slechtste beursjaren aller tijden opgetekend worden. De malaise begon met de credit crunch, waardoor beleggers massaal financials en de meer risicovolle ondernemingen in de verkoop deden. De crisis culmineerde echter in de tweede helft van 2008 met de economische teruggang en de sterk dalende prijzen van grondstoffen en olie. De rest is geschiedenis.
Hoewel het verdere verloop van de crisis natuurlijk ongewis is, worden op macroniveau de contouren van een basisscenario toch langzaam zichtbaar. De belangrijkste factor in dit scenario is natuurlijk de te hoge schuldlast in vooral de Verenigde Staten. Die onevenwichtigheid moet rechtgetrokken worden en zowel de Amerikaanse overheid als de consument zal dat goed voelen. Waarschijnlijk leidt dit tot een periode van weinig groei. Over het te voeren beleid is inmiddels ook consensus ontstaan: president Obama zal de overheidsuitgaven op de korte termijn flink opschroeven. Amerika’s sterk verslechterende schuldpositie kan echter via verminderde kredietwaardigheid op termijn nadelig uitpakken.
Wat de situatie bemoeilijkt is dat het reservoir van traditionele beleidsinstrumenten uitgeput raakt. De Fed heeft de rente immers bijna tot nul verlaagd waardoor het rentewapen, op zijn zachtst gezegd, behoorlijk bot is geworden. Centrale banken zullen dan ook inventiever moeten worden en meer uit de kast moeten halen om de geldmarkt te verruimen. Alleen, door de slechte conditie waarin veel banken verkeren, heeft monetair beleid op dit moment weinig effect. Een inherent gevaar van de verruiming van de geldmarkt is dat de geldcreatie niet tijdig teruggedraaid zal worden. En dat kan weer tot een hoge inflatie leiden. Beide maatregelen hebben dus hun risico’s.
De slechte economische cijfers in combinatie met krachtige overheidsinterventies leidden vooral in de laatste twee maanden van 2008 tot ongekende fluctuaties op de financiële markten. Met alle gevolgen van dien voor de belegger die zich heen en weer geslingerd zag tussen hoop en vrees. Een fikse tegenvaller was de terugvallende consumptie. Die is nergens zo duidelijk als in de auto-industrie: in de Verenigde Staten tuimelden de autoverkopen met 30 procent, in Europa met ongeveer 20 procent. De beursbewegingen werden de laatste maanden dan ook sterk bepaald door de vraag of autofabrikanten en Citigroup al dan niet voor steun bij de overheid konden aankloppen. Die steun is er inmiddels.
Een goede illustratie voor de volatiliteit op de aandelenmarkt is de graadmeter die de beweeglijkheid meet van de Amerikaanse aandelenindices. Deze kwam over het hele kwartaal boven de 40 uit, terwijl een niveau van onder 20 in het verleden normaal was. Een klein lichtpuntje voor de beleggers was dat per saldo de meeste aandelenkoersen slechts licht daalden na de enorme correctie in de eerste helft van oktober. Veel slecht nieuws is door de correcties van het afgelopen jaar immers al verdisconteerd in de aandelenprijzen. Meevallers en teleurstellende berichten zullen ook de komende maanden elkaar verder afwisselen. En dat zal ongetwijfeld weer sterke koersuitslagen met zich meebrengen. Het beurssentiment zal zich dan ook pas duurzaam verbeteren wanneer er meer duidelijkheid ontstaat over de duur en diepte van de economische recessie en de effecten van de kredietcrisis. De tijd zal het dus leren.
Meer artikelen van Alex Otto