Eén keer heb ik mij gezet aan een brief aan de Financial Times. De krant had de English East India Company de oudste vennootschap genoemd, terwijl ik zeker wist dat deze eer aan de Nederlandse VOC toekwam. Gelukkig googelde ik voordat ik mijn brief op de bus deed nog even op de beide compagnieën en – verhip – ik had me vergist. De VOC is van 1602, de East India Company is twee jaar ouder.
Zoals vaker – denk aan voetbal – was de buitenlandse bewerking van de Engelse uitvinding superieur. Voor de Engelse East India Company was iedere expeditie een nieuwe onderneming. Om een schip uit te rusten werd kapitaal verzameld. Nadat de lading bij terugkeer was verkocht werd de winst verdeeld. De VOC pakte de zaken grootschaliger aan.
De compagnie trok een veel groter bedrag aan dan de Engelsen en voor een langere periode. De Amsterdamse beurs voorzag, als eerste aandelenbeurs in de wereld, in de behoefte aandelen tussentijds te gelde te maken. Daarmee had de beursgenoteerde naamloze vennootschap grofweg de vorm die wij nu kennen: een vehikel waarmee ondernemers zich kunnen voorzien van risicodragend, langjarig en verhandelbaar kapitaal.
Inmiddels hebben we in Nederland vier eeuwen ervaring met de beurs-nv. Waar staan we nu? Het Nederlandse model kent een redelijke balans. Zeker sinds de code-Tabaksblat de achtergestelde positie van aandeelhouders enigszins corrigeerde. Aandeelhouders hebben wat te zeggen over bestuurdersbenoemingen en beloningsbeleid en kunnen met 1 procent van het kapitaal onderwerpen voor de aandeelhoudersvergadering agenderen. De
Ondernemingskamer biedt met de enquêteprocedure een veiligheidsklep voor gevallen waarin de checks and balances wanbeleid niet hebben kunnen voorkomen. Daar staat tegenover dat beschermingsconstructies en certifi caten nog steeds falend management kunnen beschermen en dat het voor aandeelhouders vrijwel onmogelijk is bestuurders aansprakelijk te houden.
Deze fragiele balans wordt momenteel bedreigd. De kredietcrisis heeft wereldwijd geleid tot een evaluatie van de verhoudingen tussen aandeelhouders en bestuur. In Nederland leidt dit tot een paradoxale consensus. Enerzijds is men het erover eens dat aandeelhouders meer hadden moeten doen, bijvoorbeeld door kritischer te zijn op risicomanagement en op beloningsstructuren.
En het veelgehoorde antwoord hierop is aandeelhouders minder te zeggen te geven – dus minder mogelijkheden om hun verantwoordelijkheid te nemen. Dit is de lijn die het kabinet inzet met een aantal recente wetsvoorstellen. Zo wordt voorgesteld de drempel voor het agenderingsrecht op te hogen naar 3 procent en wil men de toegang tot de Ondernemingskamer beperken.
Muilkorven is niet de manier om vertrouwen te herstellen. Aandeelhouders moeten juist worden gestimuleerd hun verantwoordelijkheid te nemen. Bovendien: wie zeggenschapsrechten van een aandeel beperkt, vermindert de waarde ervan. Dat is slecht voor de positie van Nederland op de internationale kapitaalmarkt en zorgt voor hogere kapitaalkosten. Daar betalen we uiteindelijk allemaal de prijs voor.
Meer columns voor Jan Maarten Slagter