Het bankwezen staat voor fundamentele keuzes. Het failliet van het groeimodel van de afgelopen vijftien jaar is duidelijk. Het groeimodel werd eerst gedreven door de internationalisering van de zakelijkeklantenbasis. Groter groeien door fusies en overnames speelden een hoofdrol, zoals zo mooi valt te lezen in het boek De prooi. Tegelijkertijd kwam daar innovatie bij als drijvende kracht. Denk aan securitisering en de ontplooiing van de hedgefundindustrie. De nagestreefde groei, in combinatie met ongebreidelde ambitie en achterblijvend toezicht, leidde tot de huidige malaise. Het groeimodel heeft nu plaatsgemaakt voor de noodzaak tot krimp. Dat is geen sinecure voor de financiële instellingen in een omgeving waarin alleen al overleven een loden last is.
De noodzakelijke krimp noopt tot een indringende discussie over het toekomstig banklandschap in bestuurskamers van banken, toezichthouders en politiek. Drie fundamentele vragen moeten worden beantwoord.
De eerste is of er, nu de negatieve kanten van de innovaties binnen het financiële bestel volstrekt duidelijk zijn geworden, een splitsing tussen ‘saaie’ systeembanken en dynamische niet-systeembanken onder ogen gezien moet worden. Zeker is dat een splitsing lekker duidelijk is voor de klant, de aandeelhouder en de werknemer. Immers, een systeembank is veilig en doet geen gekke dingen, terwijl de avonturiers in de niet-systeembank worden ondergebracht. Onduidelijk is echter welke activiteiten zo’n systeembank wel of niet mag verrichten. Nogal een cruciaal punt gezien de huidige verzameling activiteiten bij grote instellingen en de recente ontwikkelingen in de Verenigde Staten waarbij zakenbanken juist zijn samengegaan met algemene banken. Die indeling van toegestane activiteiten is cruciaal voor het antwoord op de vraag of splitsing effectief en dus wenselijk is.
De tweede fundamentele vraag is hoe het verder moet met het internationale karakter van vele banken. Die vraag komt op omdat het toezicht, maar vooral de uiteindelijke reddingsmiddelen van banken in nood lokaal van aard zijn. Immers, het zijn de nationale begrotingen die worden belast door de reddingsacties. Dit, in combinatie met de noodzaak tot krimp, versterkt de tendens om terug te gaan naar de thuismarkt. Het meest recente voorbeeld hiervan is de herstructurering van het Zwitserse UBS. Het is de vraag of dit wel of niet gewenst is, en in welke mate. Los daarvan versterkt het ook de scepsis over pogingen om tot internationaal toezicht te komen.
Ten slotte zal ook de vraag komen bovendrijven of de ‘checks and balances’ ten aanzien van de sturingsmechanismen binnen de financiële instellingen wel op orde zijn. Dit gaat verder dan alleen de discussie rond de kortetermijngedreven belonings- en bonuscultuur. Het raakt ook de rol van en de eisen aan bestuur en commissarissen en überhaupt de vraag naar de bestuurbaarheid van zeer grote ondernemingen.
De vragen stellen staat in dit geval niet gelijk aan ze beantwoorden. Landen en instellingen kunnen verschillende keuzes maken. Op dit moment echter is in Nederland de discussie over het toekomstige banklandschap te weinig inhoudelijk en te veel ad hoc. Daar mag het niet bij blijven.
Meer columns van Pieter Wind