Het is voor een beursfonds altijd verstandig de goedbedoelde adviezen van de VEB op te volgen – maar dat wil niet zeggen dat het ook altijd gebeurt.
Ik vind dat ook een merkwaardige paradox, die ons er echter niet van weerhoudt het Nederlandse bedrijfsleven blijmoedig met raad en daad bij te blijven staan. Iemand moet het doen.
Het doet dan ook plezier als een groot Nederlands beursfonds gehoor geeft aan onze aanbevelingen. De afgelopen week was het Unilever die een langgekoesterde VEB-wens in vervulling bracht.
Het zeep- en voedingsmiddelenconcern maakte dinsdag bekend overeenstemming te hebben bereikt met Aegon over de inkoop van de cumulatief preferente aandelen die de verzekeraar nog in Unilever heeft uitstaan. Ook kondigde het bedrijf een openbaar bod aan op de overige ‘cumprefs’ die nog in handen zijn van ING en ASR.
Het bericht van Unilever volgt op een openbare oproep van de VEB, afgelopen februari, nu eindelijk eens een eind te maken aan de scheve zeggenschapsverhoudingen in de aandeelhoudersvergadering – iets waar de VEB al jaren voor ijvert. De drie houders van de cumprefs hebben samen 30 procent van de stemrechten in handen voor een kapitaalbelang van minder dan 1 procent.
Die overmacht in de aandeelhoudersvergadering was voor Unilever de reden de certificering van de gewone aandelen Unilever in stand te houden.
Hierdoor wordt het Administratiekantoor, dat kan stemmen op alle certificaten waarvoor beleggers niet zelf hebben aangegeven te zullen stemmen, in staat gesteld de stemuitslag in de aandeelhoudersvergadering te bepalen.
Certificaathouders wordt hierdoor de mogelijkheid ontnomen om effectief invloed uit te oefenen op belangrijke kwesties. Dat is de VEB natuurlijk een doorn in het oog. Deze certificering zorgt voor onnodige kosten en wordt door vooral buitenlandse beleggers niet begrepen.
Het gebrek aan zeggenschap van de werkelijke kapitaalverschaffers zorgt voor een blijvend drukkend effect op de koers.
De VEB riep in februari op deze misstand weg te nemen door het terugkopen, tegen een redelijke prijs, van de nog uitstaande cumulatief preferente aandelen. Daar is Unilever blijkbaar voortvarend mee aan de slag gegaan.
De prijs die het biedt voor alle uitstaande cumprefs komt neer op 157 miljoen euro, een premie van 40 procent boven het bod dat Unilever vorig jaar deed en dat werd afgewezen. Unilever tast daarmee behoorlijk in de buidel, maar volgens de VEB niet onverantwoord diep om te komen tot een acceptabele ‘one share, one vote’-situatie (over 2010 wil Unilever € 1,3 miljard aan dividend uitkeren).
Het woord is nu aan ASR en ING. Pikant is dat het beursfonds ING ook nog geen afstand heeft genomen van zijn certificering en daarmee nu de laatste der Mohikanen dreigt te worden. De komende herstructurering van de verzekeraar biedt een uitstekende gelegenheid hier iets aan te doen.
Meer columns van Jan Maarten Slagter