De Dag van de Belegger komt er weer aan, wat betekent dat het beleggingsjaar 2010 zo goed als voorbij is. Natuurlijk kijk je dan terug naar de overpeinzingen in het begin van het jaar en de gedane voorspellingen.
Kernthema in de destijds gemaakte analyse was het terugbrengen van de schuldenberg. Dit zou leiden tot slechts trage economische groei wereldwijd. Lage groei die lage inflatie (disinflatie) en lage rentes tot gevolg zou hebben.
Ook zou extra monetair ingrijpen noodzakelijk zijn. Omdat de schuldenberg niet overal even problematisch werd ingeschat, zou dit naar onze mening ook leiden tot divergentie in marktontwikkelingen voor zowel aandelen als obligatiemarkten.
De analyse bleek behoorlijk accuraat, wat in mindere mate voor de getrokken beleggingsconclusies gold. Zo hielden we wel rekening met een lage rente op tienjarige Nederlandse staatsobligaties, maar niet met een daling naar 2,5 procent.
Ook rekenden we op een solide aandelenjaar waarin de opkomende markten zouden opvallen. Dat zit op het moment van schrijven ‘in de tas’, maar onze verwachting met betrekking tot andere regio’s kwam niet uit.
Het leert dat er meer nodig is dan een goede analyse alleen. In discussies met onze strategen over de verwachtingen voor het komend jaar blijkt dat er weinig nieuws is op analytisch gebied. Nog steeds is de schuldreductie het verhaal.
De discussies gaan nu over hoever dit is gevorderd. De overheden moeten eigenlijk nog beginnen met saneren, maar het bankwezen gaat vooruit. De vraag is hoever de consument nog heeft te gaan.
Bedrijven hebben grosso modo geen schuldprobleem en kunnen zelfs wat ‘re-leveragen’. Nog steeds wordt voor de komende jaren trage economische groei voorzien en dus een omgeving van disinflatie. Wel duikt in de discussies vaker de term deflatie op.
Extra monetair ingrijpen gaat gewoon nog een keer gebeuren. De impact van de schuldreductie is niet overal even groot en marktontwikkelingen zullen blijven uiteenlopen. Nog steeds hebben de opkomende markten daarbij het grootste potentieel. Staat er dan in de sterren geschreven dat er voor 2011 niets nieuws onder de zon is?
Er is in mijn ogen wel degelijk een belangrijk nieuw gegeven: economie en markten worden in toenemende mate afhankelijk van het opkoopinstrument van de centrale banken. Het dreigt de enige sturingsvariabele te worden en het belangrijkste middel om de schuldreductie te begeleiden.
In wezen wordt de balansverkorting die banken, overheden en consumenten moeten doorvoeren, opgevangen door de steeds verdere balansverlenging bij centrale banken. Dit instrument is nog nooit beproefd.
Laboratoriumomstandigheden dus. Inzet van het instrument is echter noodzakelijk, omdat er zo tijd kan worden gekocht en grootscheepse afstempeling van schuld kan worden voorkomen. Bijkomend voordeel is dat het grote publiek hier niets van snapt.
Er is ook geen sprake van injecties door overheden en dus geen volkswoede en geen beschuldiging van verkwistende politici die falende bankiers of Grieken beschermen. Ook ontstaat er zo geen verdere politieke inmenging in de financiële instellingen.
De inzet vergroot echter de onzekerheden. Het kan de ondergrond zijn voor overmatige geldcreatie (de geldpers), maar dat hoeft niet. Het kan het zaadje zijn van groeiend wantrouwen in de westerse munten en vooral de dollar, maar dat hoeft niet te ontkiemen.
Grotere onzekerheden zijn zo de nieuwe toevoeging aan de analyse. Met betrekking tot onze beleggingsconclusies voor 2011 zetten we weer in op de voordelen van ‘quantitative easing’ (kwantitatieve verruiming). Maar het laat onverlet dat er in het huidige ‘economisch laboratorium’ kansen op ongelukken bestaan.
Meer columns van Pieter Wind