VEB.net maakt gebruik van cookies om het gebruiksgemak van de website te verbeteren. 

23 januari 2009

Waarom banken aan elkaar lenen...

  • Pagina printen
  • 0 Reageer op dit artikel
  • Stuur dit artikel door

    Vul hieronder het emailadres in van degene naar wie u dit artikel wilt doorsturen, en uw eigen emailadres in.

De kern van de kredietcrisis is dat banken elkaar geen geld meer willen lenen. Maar waarom doen ze dat überhaupt en waarom is dat onderlinge leenverkeer zo cruciaal?

De kernfunctie in het economisch systeem van banken is spaargeld aan te trekken, met name deposito’s op korte termijn, om leningen op langere termijn te verstrekken zoals woonkredieten, autoleningen of investeringskredieten aan bedrijven. Banken maken winst door het verschil tussen de rente die ze moeten betalen als vergoeding voor de hun toevertrouwde deposito’s en de rente die ze rekenen op de toegestane kredieten. Banken spelen dus een cruciale rol in het economisch systeem.
De voorbije decennia zijn de banken echter steeds verder van deze kernfunctie afgedwaald. De kern van de moeilijkheden ligt – zonder te veel in detail te treden – bij een te lakse politiek van kredietverlening. Die had voor een groot deel te maken met de hausse op de vastgoedmarkten waar de capaciteit om leningen terug te betalen afhankelijk werd van een verdere stijging van de huizenprijzen. Daardoor kreeg een grote groep mensen die eigenlijk niet kredietwaardig was, toch een lening. Daarnaast werden op basis van de toegekende hypotheekleningen nieuwe producten (derivaten) gecreëerd, die op hun beurt verder werden verhandeld. Er werden dus op een heel wankele basis ongereglementeerde producten verspreid in het financiële systeem.
Toen de huizenprijzen niet langer stegen en leners niet meer aan hun verplichtingen konden voldoen, stortte het hele kaartenhuis in elkaar, met de bekende gevolgen. Een en ander werd nog versterkt door het systeem van fractionele-reservebankieren. Dit betekent dat banken maar een fractie van de klantendeposito’s als reserve moeten  aanhouden. Hoeveel precies wordt opgelegd door de regelgevende instanties, meestal de centrale banken. In geval van een zogenaamde kasreservecoëfficiënt van bijvoorbeeld 10 procent houdt de bank bij een storting van 100 euro slechts 10 euro in reserve aan. De resterende 90 euro kan dan opnieuw worden uitgeleend. Op die manier kan ‘vers’ geld worden gecreëerd.
De achterliggende idee is dat depositohouders nooit allemaal tegelijk hun geld opvragen en dat de bank het geld efficiënter kan inzetten. Het systeem werkt zolang de klanten erop vertrouwen dat de bank aan zijn verplichtingen zal kunnen voldoen. Wanneer veel klanten tegelijk hun geld terug willen zit de bank met een probleem, want de aangehouden reserves volstaan dan niet om iedereen terug te betalen. De bank moet dan geld lenen, maar dat is in een klimaat van onderling wantrouwen niet altijd mogelijk. Fractionele-reservebankieren is wijd verspreid in de financiële wereld, maar in tijden van crisis worden de zwakke punten ervan genadeloos blootgelegd.

Kloppend hart
Een van de opmerkelijkste fenomenen in de huidige crisis, dat ook van de monetaire autoriteiten (terecht) de meeste aandacht krijgt, is het volledig opdrogen van de interbancaire markt. Die interbancaire markt is de olie van het financiële systeem en kan worden gedefinieerd als het geheel van tegoeden en verplichtingen die voor korte termijn worden aangehouden tussen financiële instellingen onderling. Die instellingen kunnen zowel van hetzelfde land als van andere landen zijn.
In de meeste economische handboeken wordt de korte termijn gedefinieerd als een periode van hoogstens één jaar. In feite is de interbancaire markt te beschouwen als het wederzijds toestaan van kredietlijnen. Cruciaal is dat die markt volledig werkt op basis van vertrouwen. De interbancaire markt kent geen specifieke reglementering en onder normale omstandigheden bemoeien de monetaire overheden zich er niet mee. Gezien de uitzonderlijke toestand grepen de centrale banken recentelijk wél in.
Er zijn verschillende redenen waarom de interbancaire markt een nuttig instrument is voor een financiële instelling. Om aan de reserveverplichtingen te voldoen, is het noodzakelijk de hoeveelheid geld in kas af te stemmen op de behoeften. Zo moet een bank genoeg geld in kas houden om de spaarders te bedienen die geld opvragen. Een financiële instelling heeft er echter geen belang bij om te veel geld in kas aan te houden en evenmin om te weinig geld in kas te hebben. Om de kaspositie te optimaliseren schuiven banken met overschotten aan het eind van de dag geld toe aan andere banken die met een tekort zitten.
De interbancaire markt is voor financiële instellingen ook nuttig voor het afdekken van renterisico’s die bijvoorbeeld ontstaan uit het toekennen van een krediet voor zes maanden en het opnemen van een deposito voor twee maanden. Als de korte rente stijgt en de bank na twee maanden een hogere rente op nieuwe deposito’s moet vergoeden, verdampt de marge op het uitgezette krediet. Om dit risico uit te schakelen kan een bank dan bijvoorbeeld bij een andere instelling geld lenen voor een periode van zes maanden en geld uitlenen voor twee maanden.
De interbancaire markt is dus een heel belangrijk instrument om de bankactiviteiten zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Onder normale omstandigheden is die markt heel liquide. Het gevolg hiervan is dat het lot van alle banken aan elkaar gekoppeld is. Door de kredietcrisis zijn de geldstromen tussen de banken zo goed als opgedroogd. De voornaamste oorzaak ligt bij het gebrek aan onderling vertrouwen. Banken weten niet of nauwelijks van elkaar hoe zwaar ze geïnfecteerd zijn door slechte kredieten. Zelfs een bank die op het eerste gezicht volledig vrij is van slechte kredieten kan dus in de problemen komen als andere banken niet langer bereid zijn om geld te lenen.
Moeilijkheden bij één bank kunnen dus een domino-effect veroorzaken bij een hele reeks andere instellingen. Een bank met problemen heeft er immers geen belang bij om open kaart te spelen, want dan droogt de geldstroom binnen de kortste keren helemaal op. Het faillissement van de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers zorgde voor een sterke toename van het wantrouwen. De banken waarvan vermoed werd dat er problemen dreigden, zagen hun krediettoevoer afgesneden. Het onderlinge wantrouwen zorgde voor een infarct op de kredietmarkt: banken waren niet langer bereid om geld uit te lenen aan elkaar en wilden zo snel mogelijk van hun kredieten op lange termijn af uit vrees dat deze niet meer terugbetaald zullen worden.
De banken weigerden met andere woorden om hun centrale rol in het economisch systeem nog langer te spelen, wat grote gevolgen dreigde te hebben voor de reële economie. Banken die zich niet meer kunnen financieren, kunnen ook geen kredieten meer geven aan gezinnen en bedrijven. Euribor voor leningen in euro en de Angelsaksische variant Libor zijn de bekendste interbancaire rentetarieven. Het Libor-tarief wordt dagelijks bepaald door de British Bankers’Association (BBA) op basis van gegevens van een aantal grootbanken. Libor ging de voorbije weken door het dak – meer dan 6 procent half oktober – maar toch zette dit de banken er niet of nauwelijks toe aan om hun onderlinge leningsactiviteiten te hervatten.

Drastische ingrepen

Het is niet zo eenvoudig om een oplossing te vinden voor dit probleem, want banken zijn private instellingen en kunnen niet verplicht worden om elkaar krediet te verlenen. De eerste serie maatregelen die door de monetaire autoriteiten (centrale banken) en overheden genomen werden, had geen resultaat. Overheden pompten massaal geld in de banken maar hiermee werden alleen de symptomen bestreden en niet de oorzaken. Het geld werd gebruikt om schuldpapier op lange termijn om te ruilen tegen liquiditeiten, maar het wantrouwen bleef. Overheden garandeerden de passiefzijde van de balans, namelijk de deposito’s. Leuk nieuws voor de spaarders, maar geen oplossing voor de leners.
De gecoördineerde renteverlagingen door ’s werelds grootste centrale banken zetten evenmin zoden aan de dijk. Een al dan niet gedeeltelijke nationalisatie van banken komt al een stap dichter bij de oplossing van het probleem. Doordat de overheden dan aandeelhouder zijn, kunnen ze de banken wel verplichten om geld aan elkaar te lenen. Zowel de Amerikaanse als de Europese centrale banken namen intussen al maatregelen in die zin. Door in te grijpen op de actiefzijde van de balans, namelijk door de (interbancaire) leningen te garanderen, kon het vertrouwen wel (ten dele) worden hersteld, want de interbancaire rentes kwamen snel naar beneden.
Toch is dit geen ideale oplossing, want de risico’s worden nu verschoven van de (private) banken naar de (publieke) overheden. In plaats van een failliete bank is er nu het risico op een failliet land. Het voorbeeld van IJsland bewijst dat ook dat niet onmogelijk is. Het is ook niet de bedoeling dat de nationaliseringen een definitieve maatregel zijn. Bankieren is namelijk niet de kerntaak van een overheid. Toch zal alleen een hele reeks gecoördineerde maatregelen die verder gaan dan alleen maar de interbancaire markt een einde kunnen maken aan de huidige crisis.

{{scope.count}}Reacties

Geef als eerste een reactie op dit artikel |
{{comment.userName}}
{{comment.createdOn | date:'dd-MM-yyyy HH:mm'}}

{{comment.body}}