VEB.net maakt gebruik van cookies om het gebruiksgemak van de website te verbeteren. 

13 juni 2007

ABN Amro herhaalt stellingen bij Hoge Raad

  • Pagina printen
  • 0 Reageer op dit artikel
  • Stuur dit artikel door

    Vul hieronder het emailadres in van degene naar wie u dit artikel wilt doorsturen, en uw eigen emailadres in.

VEB dient incidenteel cassatieverzoek in
De Vereniging van Effectenbezitters heeft maandag 11 juni jl. haar 141 pagina´s tellende verweerschrift ingediend bij de Hoge Raad in de cassatieprocedure van ABN Amro.

In dit verweerschrift wordt gereageerd op de cassatieverzoeken die ABN Amro, Barclays en Bank of America hebben ingediend tegen de beschikking van de Ondernemingskamer (OK) van het gerechtshof Amsterdam van 3 mei jl. Toen verbood de OK  - op verzoek van de VEB - ABN Amro om verdere uitvoering te geven aan de voorgenomen verkoop van haar Amerikaanse zakenbank LaSalle, totdat de aandeelhoudersvergadering aan die verkoop haar goedkeuring heeft verleend

De grieven van ABN Amro tegen de OK beschikking en de verweren van de VEB daarop worden hieronder weergegeven.

Incidenteel voorwaardelijk cassatieverzoek VEB
Voor het (onverhoopte) geval dat de Hoge Raad de vorderingen van ABN Amro toewijst, heeft de VEB ook een zelfstandig cassatieverzoek ingediend. Dit cassatieverzoek heeft betrekking op het feit dat de Ondernemingskamer artikel 2:107a BW (het goedkeuringsrecht van aandeelhouders bij majeure transacties) niet rechtstreeks van toepassing heeft verklaard. Gegeven de omvang van de transactie (15,5 miljard euro, ruim 60 procent van ABN Amro´s eigen vermogen), het feit dat LaSalle de tweede retail-activiteit is van de bank en onderdeel uitmaakt van de fel verdedigde strategie met vier retailmarkten, is de verkooptransactie - ook los van het Barclays-bod - een belangrijk besluit dat goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering behoeft.

De belangrijkste grieven van ABN Amro zijn:
1)  Er is volgens ABN Amro geen samenloop van een besluit dat in beginsel tot de bevoegdheden van het bestuur behoort (de verkoop van LaSalle) en een besluit dat voorbehouden is aan de aandeelhouders (de verkoop van aandelen ABN Amro).
De VEB bestrijdt dit. Door de koppeling van de verkoop van LaSalle (als voorwaarde) aan het bod van Barclays heeft ABN Amro, in de wetenschap dat het Consortium (Fortis/RBS/Santander) geïnteresseerd was in de bank inclusief LaSalle, de keuzevrijheid van de ABN Amro aandeelhouder ernstig aangetast.

2)  ABN Amro stelt dat bestuur en commissarissen volgens de beschikking van de OK enkel de belangen van aandeelhouders in beschouwing moet nemen, en dat dit in strijd is met de wettelijke verplichtingen van Raad van Bestuur en Raad van Commissarissen.

ABN Amro leest in de beschikking zaken die er niet in staan. Uitvoering van de beschikking - het voorleggen van de verkoop van LaSalle aan de aandeelhoudersvergadering - vormt geenszins een belemmering voor bestuur en commissarissen om de belangen van alle stakeholders te behartigen. De OK stelt wel dat - in het licht van het door ABN Amro zelf gestarte verkoopproces - een ‘level playing field’ dient te worden gecreëerd en dat het proces niet zodanig mag worden beïnvloed dat er de facto macht aan aandeelhouders wordt onttrokken.

3)  ABN Amro kwalificeert het Consortium als potentiële gegadigde, maar - in tegenstelling tot de OK - niet als een serieuze gegadigde.

De voorstellen van het Consortium, toegelicht in de brief van 12 april, waren volgens de OK in een vergevorderd stadium. Bovendien heeft het Consortium pogingen ondernomen om in gesprek te geraken met ABN Amro (bij voorkeur voor 17 april 2007) en heeft ABN Amro zelf die gesprekken uitgesteld tot 23 april, naar later bleek na de datum van bekendmaking van de voorgenomen ´fusie´ met Barclays. Tenslotte zijn de drie banken die deel uitmaken van het Consortium ten minste al op grond van omvang, solide financiële positie en ‘track record’ als serieuze partijen aan te merken.

4)  ABN Amro betwist dat de verkoop van LaSalle onderworpen is aan het goedkeuringsrecht van de aandeelhoudersvergadering (artikel 2:107a BW) en stelt dat de OK buiten het toepassingsgebied van dit artikel is getreden.

De VEB sluit aan bij de generieke bepaling van artikel 2:107a BW waarin staat dat belangrijke bestuursbesluiten zijn onderworpen aan de goedkeuring van de aandeelhoudersvergadering. De genoemde drie gevallen in lid 1 van deze bepaling (a-c) zijn vermeld om de rechtszekerheid te vergroten, maar zijn geenszins limitatief. Voorts hanteert ABN Amro een andere test (balanstotaal LaSalle gedeeld door het balanstotaal van ABN Amro) hetgeen een wezenlijk ander criterium is dan het onder c in artikel 2:107a lid 1 BW genoemde geval.

Voorts heeft ABN Amro kritiek op de conclusie van de OK dat gehandeld is in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW (grond 5), de grond voor toewijzing van de onmiddellijke voorziening (grond 6),  de rechten van derden (Bank of America, grond 7),  het feit dat de OK in de belangenafweging geen gewicht heeft gegeven aan de belangen van derden (grond 8) en het feit dat de Nederlandsche Bank niet is gehoord door de OK (grond 9). Deze gronden hebben voornamelijk een technisch karakter.

De VEB komt tot de conclusie dat de argumenten die ABN Amro aanvoert in het cassatieverzoek voor een belangrijk deel overeenkomen met de verdediging die de bank heeft gevoerd in de procedure bij de OK. Bij de OK heeft ABN Amro daarin geen gelijk gekregen. De VEB is positief over de kansen in cassatie en verwacht dat de beschikking van de OK, ten minste op hoofdlijnen en ten aanzien van de toegewezen onmiddellijke voorzieningen, in stand zal blijven.
Vereniging van Effectenbezitters

{{scope.count}}Reacties

Geef als eerste een reactie op dit artikel |
{{comment.userName}}
{{comment.createdOn | date:'dd-MM-yyyy HH:mm'}}

{{comment.body}}