VEB.net maakt gebruik van cookies om het gebruiksgemak van de website te verbeteren. 

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 12 mei 2021 duidelijkheid gegeven over de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de procedure tussen de VEB en BP. De Nederlandse rechter is niet bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van de VEB ten behoeve van de gedupeerde BP-beleggers.

Het arrest zal ook gevolgen hebben voor de procedure van de VEB tegen Volkswagen in Nederland. Ook in die procedure is de Nederlandse rechter niet bevoegd.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) komt tot de conclusie dat het feit dat de schade is geleden op een Nederlandse beleggingsrekening onvoldoende is voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Het HvJ hecht in het arrest een groot belang aan de voorzienbaarheid voor beursgenoteerde ondernemingen zodat zij kunnen anticiperen alwaar zij in rechte kunnen worden aangesproken. Dit zou wel voorzienbaar zijn in het geval BP een wettelijke openbaarmakingsverplichting had in Nederland. Nu BP niet aan de Amsterdamse beurs is genoteerd, heeft zij een dergelijke openbaarmakingsverplichting niet in Nederland.

Waarop zag de actie van de VEB?
De VEB daagde BP in april 2015 voor de rechter vanwege misleiding voor en na de olieramp in de Golf van Mexico in 2010. De VEB deed dit met een collectieve actie ten behoeve van gedupeerde BP-beleggers met een Nederlandse beleggingsrekening. Na de olieramp daalde de koers van het aandeel BP met meer dan 48 procent.

De procedure van de VEB had betrekking op de misleidende uitlatingen van BP jegens haar aandeelhouders. Het gaat hierbij om stelselmatig onjuiste, onvolledige en misleidende mededelingen van BP over haar veiligheids- en onderhoudsprogramma's vóór de olieramp met de Deepwater Horizon op 20 april 2010. Daarnaast gaat de procedure over misleidende uitlatingen van BP over de omvang van de olieramp ná deze gebeurtenis.

De misleidende uitlatingen na de olieramp waren aanleiding voor de Amerikaanse toezichthouder SEC om BP een boete op te leggen van 525 miljoen dollar. Destijds de op twee na hoogste boete ooit uitgedeeld door de SEC.

De procedure van de VEB was de enige procedure van beleggers in Europa in de nasleep van de ramp met de Deepwater Horizon. In Canada en de Verenigde Staten liepen wel meerdere procedures. BP heeft met een groot deel van die beleggers wel geschikt voor 175 miljoen dollar. Die schikking was beperkt tot de beleggers die hun aandelen hebben gekocht via de beurs van New York.

Wat ging vooraf aan de uitspraak van het HvJ?
Het Hof Amsterdam was net als de Rechtbank Amsterdam van oordeel dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om over deze kwestie te oordelen. Volgens het Hof is de financiële schade weliswaar in Nederland geleden, maar dienen er aanvullende bijzondere omstandigheden voorhanden te zijn, alvorens de Nederlandse rechter bevoegd te verklaren. Die bijzondere omstandigheden “waaruit een band met Nederland kan worden afgeleid”, waren niet aanwezig volgens het Hof.

De VEB ging in cassatie tegen het oordeel van het Hof. A-G Vlas, tevens hoogleraar Internationaal Privaatrecht, adviseerde de Hoge Raad in zijn conclusie van 9 februari 2019 om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ. De Hoge Raad heeft dit advies in zijn arrest van 14 juni 2020 overgenomen. Op 12 mei 2021 kwam het antwoord van het HvJ.

Wat was dat antwoord?
Het HvJ komt in het arrest tot de conclusie dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is omdat: “[…] het feit dat op een beleggingsrekening rechtstreeks zuiver financiële schade ontstaat die het gevolg is van beleggingsbeslissingen die zijn genomen onder invloed van wereldwijd gemakkelijk toegankelijke maar onjuiste, onvolledige en misleidende informatie van een internationale beursgenoteerde vennootschap, het niet mogelijk maakt om uit hoofde van het intreden van de schade uit te gaan van de internationale bevoegdheid van een rechterlijke instantie van de lidstaat waar de bank of beleggingsonderneming gevestigd is waarbij de rekening in het register is ingeschreven, wanneer die vennootschap niet onderworpen was aan wettelijke openbaarmakingsverplichtingen in die lidstaat.”

De beleggingsrekening waarop de aandelen worden gehouden, biedt daarvoor een onvoldoende aanknopingspunt, aldus het HvJ: “[…] de criteria die verband houden met de woonplaats en met de plaats waar de effectenbezitters een rekening aanhouden, [stellen] de emitterende vennootschap in dat geval namelijk niet in staat om te anticiperen op de vaststelling van de internationale bevoegdheid van de gerechten waarvoor zij zou kunnen worden opgeroepen, […] – teneinde het rechtszekerheidsbeginsel te waarborgen – de mogelijkheid te vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat voor hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was.”

Wat zijn de gevolgen voor beleggers?
Door het arrest kan de VEB in principe niet procederen in Nederland tegen buitenlandse beursvennootschappen die geen wettelijke openbaarmakingsverplichtingen in Nederland hebben. Als het op beleggersbescherming aankomt, is dit een stap achteruit.

VEB-directeur Paul Koster liet als reactie op het arrest weten: “Het is voor Nederlandse en Europese beleggers van belang dat ze hun recht kunnen halen als ze gedupeerd worden door beursgenoteerde ondernemingen. De schade is door de beleggers op hun Nederlandse beleggingsrekening geleden en het Nederlandse rechtssysteem is bij uitstek geschikt daarover te oordelen. Voor de VEB waren er meer dan voldoende aanknopingspunten om in Nederland tegen BP en ook tegen Volkswagen te procederen.”

Het HvJ wijst in het arrest nadrukkelijk op het rechtszekerheidsbeginsel: beursgenoteerde ondernemingen moeten rede­lijkerwijs kunnen voorzien voor welk gerecht zij worden opgeroepen.

“[E]nkel de gerechten van de lidstaten waar deze vennootschap met het oog op haar beursnotering heeft voldaan aan de wettelijke openbaarmakingsverplichtingen, bevoegd kunnen worden geacht uit hoofde van het intreden van de schade.” Het gevolg van deze uitleg van het criterium voorzienbaarheid is dat een beursvennootschap als BP wordt beschermd en niet de door de misleiding gedupeerde beleggers.

Had het niet voor de hand gelegen dat juist deze gedupeerde beleggers worden beschermd?
Dit is een terechte constatering. Er is voldoende jurisprudentie van het HvJ waar juist de benadeelde partij wordt beschermd. Het arrest inzake VEB-BP is de komende jaren voer voor juristen en politici.

Waarom was de VEB geen procedure gestart tegen BP in Londen, Frankfurt of New York?
De VEB had op basis van de jurisprudentie van het HvJ voor 2015 voldoende aanknopingspunten om in Nederland te procederen. De plaats waar de schade geleden wordt – in juristenjargon het Erfolgsort – wordt gezien als aanknopingspunt voor de bevoegdheid van de rechter. Het Nederlandse rechtssysteem werd daarbij gezien als relatief beleggersvriendelijk. BP richtte zich bovendien op een wereldwijd beleggerspubliek.

Class actions in de Verenigde Staten zijn in principe beperkt tot de transacties die op de Amerikaanse markt hebben plaatsgevonden. Door de Morrison-uitspraak van de Supreme Court zijn effectentransacties die niet op de Amerikaanse markt hadden plaatsgevonden, uitgesloten van de securities class action.

De VEB heeft ervoor gekozen om niet in Duitsland te procederen vanwege het voor beleggers nadelige systeem van class actions aldaar, de KapMug. Zo loopt de KapMug tegen Deutsche Telekom al vanaf 2008. Het Verenigd Koninkrijk kent ook een relatief beleggersonvriendelijk rechtssysteem. Ook het losers pay uitgangspunt, waardoor de volledige proceskosten moeten worden vergoed, legt een hoge drempel om te procederen in het Verenigd Koninkrijk. Mede om deze redenen heeft geen enkele partij BP in Duitsland of het Verenigd Koninkrijk voor de rechter gedaagd.

De VEB is ook een procedure gestart tegen Volkswagen in Nederland. Hoe gaat die procedure verder?
De VEB is een collectieve actie gestart in Nederland tegen Volkswagen. Die procedure is aangehouden in afwachting van de uitspraak van het HvJ inzake BP. Niet alleen liep de VEB tegen dezelfde vragen aan als in de BP-procedure, ook deed Volkswagen een beroep op een forumkeuzebeding dat zij in haar statuten had opgenomen. Dat forumkeuzebeding bepaalde dat de rechter in Braunschweig bevoegd was. Met het BP-arrest eindigt ook de Nederlandse collectieve actie tegen Volkswagen.

De VEB procedeert wel in Duitsland namens enkele beleggers tegen Volkswagen in de eerder genoemde KapMug. Deze beleggers deden niet mee aan de collectieve actie. In deze procedure is nog geen zicht op een uitspraak op korte termijn.


U heeft geen gratis artikelen meer over
Nog geen VEB-account?
Voor toegang tot de volledige website dient u een VEB-lidmaatschap aan te houden en in te loggen.
Ik wil inloggen
Meer infomatie over het VEB -lidmaatschap

Wilt u reageren op bovenstaand artikel? Stuur dan een e-mail naar info@veb.net