VEB.net maakt gebruik van cookies om het gebruiksgemak van de website te verbeteren. 

Belasting op vermogen is altijd al een heikel punt. Maar sinds de Hoge Raad eind vorig jaar een streep zette door de heffing op spaargeld, is het hek echt van de dam. Er verandert veel in box 3, in verleden en toekomst. De stand van zaken voor wie het overzicht even kwijt is.

Voor circa 60 duizend belastingbetalers had de Hoge Raad vorig jaar een vervroegd kerstcadeau in petto. Het hoogste rechtscollege in Nederland haalde een streep door de praktijk die de Belastingdienst jaren bezigde als het om vermogensbelasting ging.

De Belastingdienst ging ervan uit dat een belastingbetaler met vermogen in box 3 een deel daarvan spaarde en een deel belegde, ook al was dat in werkelijkheid niet zo. De Hoge Raad keurde deze methode af en dwong af dat huishoudens die aangeslagen waren voor een te hoog rendement op – vooral – hun spaargeld, gecompenseerd moesten worden voor de belastingjaren 2017 tot en met 2020. In eerste instantie komen belastingplichtigen alleen in aanmerking voor dit zogenoemde rechtsherstel als zij officieel bezwaar hebben gemaakt tegen de vermogensbelasting, naar schatting 60 duizend mensen dus.

Spaarvariant
Dat voornamelijk spaarders een teruggave mogen verwachten, komt doordat het kabinet heeft gekozen voor de zogeheten ‘spaarvariant’. In deze nieuwe methode kijkt de Belastingdienst wel naar de vermogensbestanddelen die iemand echt heeft. Er zijn drie vermogenscategorieën: spaargeld, beleggingen en schulden. Per categorie en per jaar gelden andere rendementen. Spaargeld wordt belast op basis van de actuele rente, voor schulden is er aansluiting bij de hypotheekrente en bij beleggingen wordt uitgegaan van het meerjarige gemiddelde rendement voor beleggingen.

De Rijksoverheid geeft als voorbeeld een belastingplichtige met 200.000 euro vermogen in 2020. Stel dat hij 150.000 euro spaargeld heeft en 50.000 euro aan beleggingen, dan krijgt hij 916 euro terug. Stel dat het andersom is, dus 150.000 euro aan beleggingen en 50.000 euro aan spaargeld, dan krijgt de belastingplichtige geen geld terug, omdat hij eigenlijk meer belasting had moeten betalen dan hij heeft betaald. Op de website van de Belastingdienst staan rekenvoorbeelden en een hulpmiddel om dat voor de eigen situatie na te gaan (www.belastingdienst.nl/box3).

Volgens de website van de Rijksoverheid worden ook alle andere aanslagen over 2017 tot en met 2020 die nog niet zijn opgelegd, of die al wel zijn opgelegd maar nog niet onherroepelijk vaststonden, in lijn met de spaarvariant opgelegd. Dat geldt ook voor alle aanslagen over de belastingjaren 2021 en 2022.

Begrip
Op Prinsjesdag komt het kabinet terug op de vraag of er ook rechtsherstel gaat komen voor de mensen die geen bezwaar hebben gemaakt. De Hoge Raad oordeelde in mei dat het kabinet daartoe niet verplicht is. In een brief aan de Kamer laat de staatssecretaris van Financiën, Marnix van Rij, blijken toch verder te kijken dan de puur wettelijke verplichtingen. Hij stelt onder meer begrip te hebben voor mensen die zich in hun rechtsgevoel gekrenkt voelen als ze niet gecompenseerd worden, puur omdat ze jarenlang zonder morren de opgelegde belasting hebben betaald. “We hebben nu de verschillende mogelijkheden onderzocht die er zijn om aan die groep rechtsherstel te bieden. De keuze of we dat gaan doen, hangt nadrukkelijk af van of dit ook uitvoerbaar is, en van de budgettaire gevolgen”, aldus Van Rij. Eerder al liet de VEB de staatssecretaris weten dat alle belastingplichtigen compensatie moeten krijgen. Het vertrouwen in de overheid is alleen gediend als alle spaarders gecompenseerd worden, ook zij die zich jarenlang trouw geconformeerd hebben aan de belastingregels van de overheid en veelal zijn afgegaan op de vooraf ingevulde gegevens.

De kwestie rond het rechtsherstel over recente jaren speelt op het moment dat de regering werkt aan een grootscheepse verandering van de vermogensbelasting. Vanaf 2025 zal worden gekeken naar het werkelijk behaalde rendement.

Aanwas
Op hoofdlijnen zijn er twee stelsels om werkelijk rendement te belasten. Zo is er de vermogensaanwasbelasting, waarbij jaarlijks belasting wordt geheven over de reguliere inkomsten (zoals rente en dividend) en de ongerealiseerde waardeontwikkeling van vermogensbestanddelen (zoals koerswinst of -verlies). Daarnaast is er een systeem van vermogenswinstbelasting. Dat betreft een jaarlijkse belasting op reguliere inkomsten en daarnaast belasting over gerealiseerd rendement op vermogensbestanddelen bij verkoop. De belastingheffing vindt dan plaats over het verschil tussen de verkoop- en aankoopprijs, zodat de vermogenswinst ook negatief kan zijn.

Bij de vormgeving van het nieuwe stelsel gaat het kabinet uit van een vermogensaanwasbelasting. Het voordeel van dit type belasting is volgens Van Rij dat de waardeontwikkeling van jaar tot jaar in de heffing wordt betrokken, en niet pas in het jaar waarin het vermogensbestanddeel wordt verkocht. Dat voorkomt langdurig uitstel van de belastingheffing.

In het recentste commissiedebat is ook ingegaan op enkele nadelen van dit systeem, zoals problemen met de liquiditeit. Bijvoorbeeld van iemand die een stuk land heeft dat niet of laag verpacht is, met weinig directe inkomsten. Voor dergelijke gevallen moet een regeling komen, geeft Van Rij aan. Er volgt nog een nadere uitwerking over de technische aspecten van het systeem. Daarnaast ontvangt de Kamer uiterlijk begin september een brief met de vergelijking tussen een stelsel van vermogensaanwasbelasting en een stelsel van vermogenswinstbelasting.

2025
Als de wetgeving uiterlijk eind 2023 door beide Kamers wordt aangenomen, kan de heffing naar werkelijk rendement naar verwachting op zijn vroegst worden ingevoerd met ingang van het belastingjaar 2025, zo stelt Van Rij in zijn contourennota.

Of dat lukt, is de vraag. De VEB is bezorgd over de complexiteit van de nieuwe belastingstelsels en pleit voor een lichte aanpassing van de huidige systematiek: een belasting van 30 procent over een fictief rendement van 4 procent en een vrijstelling voor de spaarrekeningen en obligaties waar aantoonbaar minder dan 1 procent rente op wordt vergoed. Die vrijstelling geldt totdat de rente oploopt, dus in het huidige economische klimaat kan dat snel gedaan zijn.

Omdat nieuwe wetgeving op basis van werkelijk rendement naar verwachting pas in 2025 in werking treedt, is er een tijdelijke oplossing nodig tot dat moment. De oude manier van heffing is na de uitspraak van de Hoge Raad immers niet meer bruikbaar, en daarom is overbruggende wetgeving voor box 3 nodig.

Staatssecretaris Van Rij liet doorschemeren de vermogensbelasting komende tijd hetzelfde te willen aanpakken als bij het rechtsherstel gebeurt. Daarvoor zal spoedwetgeving nodig zijn. Van Rij heeft aangegeven hierover meer duidelijkheid te geven bij de behandeling van het Belastingplan. Na Prinsjesdag meer nieuws.

Update
Dit artikel staat afgedrukt in magazine Effect #9. In aanloop naar de datum van publicatie is dit nieuwsbericht verschenen van de Rijksoverheid over de invoering van het nieuwe stelsel. 


U heeft geen gratis artikelen meer over
Nog geen VEB-account?
Voor toegang tot de volledige website dient u een VEB-lidmaatschap aan te houden en in te loggen.
Ik wil inloggen
Meer infomatie over het VEB -lidmaatschap

Wilt u reageren op bovenstaand artikel? Stuur dan een e-mail naar info@veb.net