Na een tik op de vingers van de rechter begin dit jaar was lang onduidelijk hoe chemiebedrijf OCI zou omgaan met zijn beperkte, overgebleven activiteiten. De onderneming heeft die onzekerheid verder aangewakkerd bij de recent gepresenteerde jaarcijfers.
Alle aandeelhouders van OCI hadden zich de huidige situatie rond het chemiebedrijf anders voorgesteld. De Egyptische grootaandeelhouder Nassef Sawiris dacht de onderneming – of wat ervan over is – al te hebben ondergebracht in Abu Dhabi via een fusie met het bouwbedrijf Orascom, waarin hij eveneens grootaandeelhouder is. Maar die plannen werden begin januari door de rechter stilgelegd.
De Ondernemingskamer oordeelde dat er serieuze twijfels bestaan over de zorgvuldigheid van het besluitvormingsproces rond de fusie. Met name de rol en onafhankelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurders werden in twijfel getrokken, tegenover de dominante positie van de uitvoerend bestuurder die tevens (indirect) meerderheidsaandeelhouder is. Daarnaast achtte de rechter het aannemelijk dat minderheidsaandeelhouders door de voorgestelde transactie onevenredig zouden worden benadeeld. Omdat de mogelijke schade groot en moeilijk te verhalen zou zijn, werd ingegrepen en werd de fusie verboden.
Ontwikkelingen
Sinds dat moment is het wachten op duidelijkheid vanuit OCI over de vervolgstappen. De belangen van minderheidsaandeelhouders zouden in de tussentijd bewaakt worden door twee onafhankelijke commissarissen die door de Ondernemingskamer zijn benoemd en de transactie opnieuw moeten beoordelen.
Lange tijd bleef het stil, totdat begin maart het bericht volgde dat Sawiris zijn positie als bestuursvoorzitter neerlegt vanwege andere professionele verplichtingen. Een dag later werd bekend dat de miljardair zich beschikbaar stelt als commissaris bij OCI en bovendien kandidaat is voor een prominente rol binnen het sportconcern Adidas.
Andere signalen kwamen uit openbare bronnen. Uit registers van de AFM bleek dat Sawiris zijn belang in OCI verder heeft uitgebreid door aandelen bij te kopen. Tegelijkertijd bleek uit informatie van Orascom dat de aandeelhouders van die onderneming de fusieplannen met OCI wél hadden goedgekeurd, zij het uitsluitend op basis van de aandelenruil zoals die door de Ondernemingskamer was verboden.
Ook speelde er een bestuurskwestie. Bij Orascom werd het vertrek aangekondigd van Hassan Badrawi als niet-uitvoerend bestuurder. Badrawi is tegelijkertijd ceo van OCI en daarmee verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding. Die dubbelrol lag eerder al onder vuur bij de Ondernemingskamer, die kritisch was op de mogelijke belangenverstrengeling.
Cijfers en onduidelijkheid
Aan de relatieve radiostilte leek medio maart een einde te komen met de publicatie van de jaarcijfers van OCI. Maar in plaats van helderheid te bieden, roepen de cijfers vooral nieuwe vragen op. De onderneming schermt met allerhande ingewikkelde arrangementen rond eerdere transacties waarvan alleen intern de details bekend zijn. Waar beleggers hoopten op meer duidelijkheid na jaren van desinvesteringen, stapelen de onzekerheden zich juist op.
Een groot vraagteken zit bij Fertiglobe. Eind 2023 maakte OCI bekend zijn belang in dit kunstmestbedrijf te verkopen aan medeaandeelhouder Adnoc, het staatsoliebedrijf van Abu Dhabi. Bij de verkoop van het meerderheidsbelang werd afgesproken
10 procent van de transactiewaarde, 362 miljoen dollar, apart te houden als garantie voor mogelijke claims van de koper, zo bleek uit het jaarverslag van 2024. Lange tijd gingen beleggers en analisten ervan uit dat dit bedrag uiteindelijk grotendeels zou vrijvallen. Die aanname wordt nu onderuitgehaald. OCI houdt er rekening mee dat claims in een nadelig scenario kunnen oplopen tot 680 miljoen dollar, mogelijk zelfs daarboven. Daarmee dreigt niet alleen het volledige escrow-bedrag van 362 miljoen te verdwijnen, maar bestaat ook de kans dat OCI extra moet bijbetalen.
De onzekerheid en mogelijke tegenvallers komen voor beleggers als verrassing. Niet eerder heeft OCI melding gemaakt van de omvang van mogelijke consequenties. Wat verder ongemakkelijk blijft: OCI geeft weinig inzicht in de precieze aard van deze verplichtingen, waardoor beleggers in het duister tasten over waar de risico’s zitten. Bovendien kunnen deze verplichtingen nog tot in het volgende decennium doorlopen, mogelijk tot 2032.
Opvallend is ook de berichtgeving over de fabriek van OCI in Geleen, belangrijk voor de Europese kunstmestactiviteiten. De resultaten over 2025 waren beter dan verwacht door hogere kunstmestprijzen, maar OCI benadrukt vooral risico’s zoals stijgende gasprijzen en waarschuwt zelfs voor een mogelijke afwaardering. Dat is opmerkelijk, omdat de fabriek in de verkoop staat én historisch juist profiteerde van hoge energieprijzen dankzij haar flexibiliteit.
Een ander project waarbij OCI zijn aandeelhouders confronteert met een tegenvaller, is de situatie rond het Clean Ammonia-project in Beaumont, Texas. De totale kosten van het project worden inmiddels geraamd op ongeveer 1,8 miljard dollar, opnieuw hoger dan eerdere schattingen door vertragingen, extra maatregelen en hogere afwikkelingskosten.
OCI heeft de fabriek verkocht aan energiebedrijf Woodside, maar blijft verantwoordelijk voor de afronding van de bouw. Daardoor komen extra kosten nog altijd voor rekening van OCI en moet er nog extra worden geïnvesteerd.
Per saldo blijft het project winstgevend, maar zolang de kosten blijven oplopen, blijft de uiteindelijke opbrengst onzeker.
Concreter
De onduidelijkheid die OCI creëert over de waarde van activiteiten gaat minder op voor de deelneming die OCI heeft in het beursgenoteerde Canadese bedrijf Methanex. Toen OCI zijn methanolactiviteiten verkocht, kreeg het een groot aandelenpakket in Methanex. De waarde van dat pakket is voor beleggers goed te volgen aan de hand van de beurskoers van Methanex, en die is het afgelopen halfjaar flink gestegen. OCI heeft een deel van het pakket verkocht en dat leverde ongeveer 173 miljoen dollar op.
Na deze verkoop bezit OCI nog altijd ongeveer 6,6 miljoen aandelen, wat neerkomt op circa 8,6 procent van Methanex. Dat belang vormt daarmee een aanzienlijke financiële reserve voor OCI.
Opgeteld gaat het om Methanex-aandelen met een waarde van ongeveer 505 miljoen dollar, ofwel 2,40 euro per aandeel OCI.
Vervolg
De informatie die OCI verstrekt roept veel vragen op. De VEB heeft de onderneming in een uitgebreide brief om meer duidelijkheid verzocht en vraagt ook om uitleg waarom bepaalde informatie juist nu pas wordt verstrekt. De VEB wil meer weten over de plannen die OCI heeft met de eigen onderneming en welke voorzorgsmaatregelen er zijn genomen om de belangen van minderheidsaandeelhouders te beschermen. Een onderzoek naar de gang van zaken in de afgelopen jaren moet daarbij helpen. De Ondernemingskamer moet nog beslissen of een dergelijk onderzoek er komt. De VEB dringt aan op een snel besluit.
| VEB-lidmaatschap |
|---|
| Nog geen VEB-account? |
| Voor toegang tot de volledige website dient u een VEB-lidmaatschap aan te houden en in te loggen. Indien u lid bent, maar nog geen account heeft kunt u ook klikken op ‘inloggen’ en daarna een account aanmaken. |
|
|
| Meer infomatie over het VEB -lidmaatschap |