Amerikanen zijn verzot op rundvlees, maar door grote tekorten betalen ze er momenteel de hoofdprijs voor. Tegelijk lijden vleesverwerkers forse verliezen. Ook Tyson Foods, ’s werelds op een na grootste rundvleesverwerker, krijgt rake klappen. Hoe staat het bedrijf ervoor?
Het oprichtingsverhaal van Tyson Foods hangt samen met de Amerikaanse Grote Depressie. Uit wanhoop verhuist John W. Tyson in de nasleep daarvan met vrouw en kind van Missouri naar Arkansas. Maar ook daar is weinig geld te verdienen. Dan komt hij erachter dat kippen buiten Arkansas een stuk duurder zijn dan in die staat zelf.
Tyson koopt vijftig kippen en brengt die naar het duizend kilometer verderop gelegen Chicago. Het blijkt een lucratieve rit, en vleesbedrijf Tyson is geboren. Geleidelijk zet hij in op de verticale integratie van zijn bedrijf, onder meer met de koop van eigen broedmachines. Samen met zijn zoon Don breidt John W. Tyson het bedrijf verder en verder uit, en gaan ze ook veevoer produceren. In 1963 maakt Tyson Feed & Hatchery de gang naar de beurs in New York.
Vanaf dat moment is Tyson ook een overnamemachine. Het koopt veel concurrenten op, en breidt geleidelijk zijn assortiment uit met varkens, runderen, tortilla’s, en zelfs vis. De belangrijkste acquisitie is die van IBP in 2001. Die overname, met een prijskaartje van 3,2 miljard dollar, zorgt ervoor dat het concern in één klap de grootste verkoper van kip en rundvlees ter wereld wordt. Inmiddels is Tyson goed voor één op de vijf kilo kip-, varkens- en rundvlees die in de VS verkocht wordt. Het levert een jaarlijkse omzet van 55,2 miljard dollar op. Daarvan wordt 95 procent gerealiseerd in de Verenigde Staten.
In de familie
Een nadeel voor beleggers is dat de familie van de oprichters nog altijd in grote mate de controle heeft over het concern. 70 procent van het stemrecht ligt via B-aandelen bij de Tysons. Aan de ene kant kan zo’n familiebelang voor continuïteit zorgen, maar in het geval van Tyson Foods bleek het ook een nadeel.
In 2024 moest John R. Tyson, de achterkleinzoon van oprichter John W., opstappen uit zijn cfo-positie omdat hij voor de tweede keer in twee jaar tijd aangehouden werd voor een alcohol-gerelateerd incident. De eerste keer, in 2022, kwam dat landelijk in het nieuws omdat hij dronken het huis van een hem onbekende vrouw was binnengegaan en daar slapend werd aangetroffen.
De gevolgen van dat schandaal zijn nog altijd merkbaar. De huidige ceo, Donnie King, werkt al 43 jaar bij Tyson en gaat in oktober met pensioen. John R. was voor zijn vertrek de gedoodverfde opvolger, en een ideale kandidaat heeft het bedrijf duidelijk nog niet gevonden: het nieuws dat Jeff Schomburger in oktober King opvolgt als ceo, zorgde voor een stevige koersdaling van het Tyson-aandeel.
Beleggers leken zich zorgen te maken over zijn relatief hoge leeftijd (64) en het feit dat hij weinig operationele ervaring heeft in de vleessector. Schomburger zit dan wel al tien jaar als toezichthouder in het bestuur van Tyson, maar zijn vorige operationele functie stamt uit 2019, toen hij bij consumentengoederengigant Procter & Gamble vertrok als hoofd wereldwijde verkoop.
Hogere prijs voor consument
Schomburger heeft als tussenpaus direct aardig wat op zijn bord, want de hele vleessector heeft het zwaar. Vooral op de markt voor rundvlees zijn de problemen groot. Het aantal runderen in de VS zit al jaren in een neerwaartse trend. Waren er in 1975 140 miljoen Amerikaanse koeien en kalveren, inmiddels zijn dat er nog maar 94 miljoen.
Een lager aanbod levert vanzelfsprekend een hogere prijs op voor de eindconsument: per 454 gram gehakt – één ‘lb’ of ‘Engels pond’ – betalen Amerikaanse consumenten nu 7,14 dollar. Dat was tien jaar geleden 4,26 dollar. Slachtkalveren stegen in diezelfde periode 117 procent in prijs, wat laat zien dat producenten grote moeite hebben met het doorberekenen van de hogere kosten.
In de meeste markten betekent een hoge prijs dat het aanbod stijgt, maar op de markt voor runderen is het niet zo makkelijk om snel op veranderende marktomstandigheden te reageren. Koeien kunnen maar één keer per jaar drachtig zijn, en na negen maanden is er slechts één kalf. Het duurt twee jaar voordat dat kalf opgegroeid is en op een veilige manier voor nieuwe kalveren kan zorgen. Dat is in bijvoorbeeld de pluimvee-industrie heel anders: de meeste Amerikaanse vleeskippen gaan acht weken nadat zij uit hun ei komen naar het slachthuis.
Steeds minder runderen
De dalende runderstapel heeft vele moeders. Zo is er de schroefwormvlieg, een vleesetende parasiet die zich in kalveren nestelt. Die komt vooral in Mexico voor, waardoor de Verenigde Staten eind 2024 de import van kalveren over de zuidgrens blokkeerden. In de jaren ervoor kwamen er nog ruim een miljoen runderen per jaar de Amerikaanse zuidgrens over. Of het verbod effect heeft gehad, is overigens de vraag: ondanks het invoerverbod werd de vlieg eerder dit jaar in Texaanse runderen aangetroffen, waarmee de parasiet voor het eerst in ruim vijftig jaar op Amerikaans grondgebied was gevonden.
Eind juli besloot de Amerikaanse overheid de import van kalveren weer toe te staan. Hierdoor zullen er vanaf eind augustus voorzichtig aan weer Mexicaanse koeien de grens over komen. Om het risico dat de schroefwormvlieg zich verder noordwaarts verspreidt te minimaliseren, zal volgens het ministerie van Landbouw scherp toezicht gehouden worden op de invoer en zal dat maar beperkt gaan gebeuren.
Een groter probleem dan de schroefwormvlieg is droogte. Hooi en ander veevoer zijn hierdoor een stuk duurder geworden. Die hoge voerprijzen zorgen ervoor dat ranchers minder winst kunnen boeken en ervoor kiezen hun runderen jong te verkopen aan een slachter. Daarmee leveren ze automatisch minder kilo’s vlees. Omdat ze vervolgens ook minder koeien insemineren, neemt het aanbod verder af.
Verderop in de keten speelt dat het werk in de slachthuizen en in de vleesverwerking vooral wordt gedaan door migranten. Veel Amerikanen hebben geen oren naar het fysiek zware werk, dat in veel staten slechts zo’n 17 dollar per uur oplevert. Door het beleid van de regering-Trump is de migratiestroom naar de VS gestokt, terwijl tijdelijke verblijfsvergunningen waarmee onder meer Haïtianen en Hondurezen twee jaar in de VS mochten werken, zijn ingetrokken. De vleesverwerkers hebben daarom steeds grotere moeite met het vullen van hun vacatures.
Sluiting slachthuizen
Het tekort aan arbeidskrachten en runderen zorgde ervoor dat de afgelopen jaren een groot aantal slachthuizen de deuren sloot. Tyson neemt ook dergelijke maatregelen. Het bedrijf is van plan dit jaar circa een derde van zijn slachtcapaciteit af te stoten. Het sloot dit jaar al een slachthuis voor drieduizend koeien per dag en verkocht een abattoir met een capaciteit van tweeduizend koeien. Deze stappen laten zien dat de vleesindustrie er niet van uitgaat dat het huidige koeientekort, en de daarmee samenhangende overcapaciteit in de slachthuizen, snel voorbij zal zijn.
Het dalende aantal slachthuizen levert wel de zorg op dat de vleesprijzen ook hoog zullen blijven als het aantal koeien weer stijgt. Een aantal kleinere vleesverwerkers krijgt daarom subsidie van het Amerikaanse landbouwministerie om ervoor te zorgen dat zij hun deuren vooralsnog niet hoeven te sluiten.
Politiek gevoelig
Een ingreep als deze laat zien dat de hoge vleesprijs ook een politiek gevoelig onderwerp is. Nadat een eerdere inflatiegolf zo’n beetje álles duurder maakte, zorgde een vogelgriepuitbraak voor een enorme verhoging van de prijs van eieren. Daarbij liepen de kosten van een dozijn op tot rond een tientje, waardoor de in Amerika zo populaire diner-restaurants zich gedwongen voelden een toeslag in te voeren op hun vele eiergerechten. Nu eieren weer een beetje normaal geprijsd zijn, is het de rundvleesprijs die bijdraagt aan de Amerikaanse voedselinflatie.
Ondanks de prijsverhogingen is de vraag naar rundvlees onverminderd hoog. Consumenten kopen er nu per persoon 4,5 procent meer van dan tien jaar geleden. Een pond gehakt kost in de gemiddelde Amerikaanse supermarkt inmiddels ruim 60 procent meer dan een pond kippenborst. In 2021 was dat prijsverschil nog 21 procent.
The big four
Wereldwijd is de markt voor rundvlees grotendeels in handen van de big four: Cargill, Tyson Foods, JBS en National Beef. Het Braziliaanse JBS – statutair gevestigd in Amstelveen – is ’s werelds grootste vleesverwerker en heeft een beursnotering in New York. Cargill is nog altijd eigendom van de gelijknamige Amerikaanse familie van oprichters. Naast rundvlees produceert het bedrijf onder meer keukenzout, palmolie, soja en staal. National Beef is ook Braziliaans. Moederbedrijf Marfrig heeft een notering aan de B3-aandelenbeurs in Sao Paulo.
De vleessector is schandaalgevoelig, en vooral in de slachthuizen zijn de arbeidsomstandigheden vaak slecht. Zo bleek in 2023 dat er ruim honderd minderjarigen werkten bij een onderaannemer die Tyson-slachthuizen schoonmaakt. Tijdens de coronapandemie bleek het bedrijf uitbraken van het virus te negeren en te weinig veiligheidsmaatregelen door te voeren. Ook zijn er schandalen rond de manier waarop dieren behandeld worden, en over het gebruik van een overmaat aan antibiotica.
Daar komen aantijgingen bij op het gebied van mededinging. De afgelopen jaren schikte Tyson in meerdere zaken waarbij het was aangeklaagd voor het tegenwerken van concurrentie. In 2025 ging het om in totaal 142 miljoen dollar, onder meer in een zaak die McDonald’s, een grootverbruiker van kip- en rundvlees, had aangespannen.
Verlies op rundvlees
In november 2025 kondigde de Amerikaanse regering een onderzoek aan naar de marktmacht van de grote vier. “We moeten actie ondernemen om consumenten te beschermen, illegale monopolies tegen te gaan en ervoor te zorgen dat deze bedrijven niet op een criminele manier profiteren van de Amerikaanse bevolking”, schreef president Donald Trump op zijn eigen berichtendienst Truth Social. Hoe dat onderzoek verder zal verlopen is onduidelijk, want bewijs van samenspanning is niet gevonden. Wel zorgt het bij beleggers en de vleesbedrijven zelf voor meer onzekerheid.
Als er al zou worden samengespannen, betekent dat in ieder geval niet dat er enorme winsten worden gemaakt met rundvlees. Tyson boekt hier al sinds het begin van 2024 kwartaal op kwartaal verlies op. Daarbij gaat het om forse bedragen: dit boekjaar verwacht Tyson een operationeel verlies van 500 tot 650 miljoen dollar, waar het eerder dit jaar nog uitging van een verlies van 350 tot 500 miljoen. In het afgelopen kwartaal was het verlies 138 miljoen, het gevolg van een 12 procent hogere verkoopprijs gecombineerd met een 16 procent lager verkoopvolume.
“De rundvleestak heeft zeker niet zo gepresteerd als we hadden verwacht”, stelde ceo King tijdens de recentste presentatie van de kwartaalcijfers. Hij wijst erop dat de vleessector de enige markt is waarop Tyson volledig afhankelijk is van de marktomstandigheden.
Andere bedrijfsonderdelen
De andere sectoren waarin Tyson actief is, presteren wel wat beter. Zo was er in het afgelopen kwartaal een omzet van 1,6 miljard dollar (plus 4,9 procent ten opzichte van een jaar eerder) uit varkensvlees met een operationele winstmarge van 3,8 procent. De omzet uit kip stagneerde op 4,3 miljard dollar (klein plusje van 0,8 procent), maar wel met een solide en toenemende winstmarge van 11,2 procent.
De hoogste marges behaalt Tyson op voorverpakte maaltijden en diepvriesvlees. Die bedrijfsonderdelen zijn samen goed voor 2,6miljard dollar (plus 1,7 procent) en een operationele winstmarge van 12,6 procent. Alles bij elkaar was de kwartaalomzet 13,9 miljard dollar.
| VEB-lidmaatschap |
|---|
| Nog geen VEB-account? |
| Voor toegang tot de volledige website dient u een VEB-lidmaatschap aan te houden en in te loggen. Indien u lid bent, maar nog geen account heeft kunt u ook klikken op ‘inloggen’ en daarna een account aanmaken. |
|
|
| Meer infomatie over het VEB -lidmaatschap |