Prinsjesdag heeft niet de beloofde duidelijkheid over Box 3 gebracht. De aanpassingen op het nieuwe stelsel zijn uitgesteld en invoering in 2028 komt onder druk te staan. Intussen blijft een belangrijk probleem onderbelicht: inflatie.
De hervorming van Box 3 schuift opnieuw op. Het kabinet wilde op Prinsjesdag met aanpassingen komen op de Wet werkelijk rendement Box 3, maar kreeg de financiële dekking daarvan niet rond. De Eerste Kamer is daarom gevraagd de behandeling van het wetsvoorstel voorlopig aan te houden. Het kabinet wil uiterlijk bij de Voorjaarsnota van 2027 nieuwe keuzes maken. Daarmee wordt de geplande invoering per 1 januari 2028 steeds lastiger.
Voor beleggers verandert er voorlopig weinig. Zolang geen nieuw stelsel ingaat, blijft het huidige forfaitaire systeem met de tegenbewijsregeling bestaan. Wie kan aantonen dat het werkelijke rendement lager lag dan het forfaitaire rendement, kan dat lagere rendement laten belasten. Het blijft daarmee wel een ingewikkelde tussenfase.
Vier routes
Het kabinet heeft vier routes op tafel gelegd. De eerste is om de al door de Tweede Kamer aangenomen Wet werkelijk rendement Box 3 alsnog te verbeteren, bijvoorbeeld met achterwaartse verliesverrekening en andere verzachtingen, en die vervolgens in 2028 in te voeren. Een tweede mogelijkheid is diezelfde wet in 2028 te laten ingaan, maar slechts als tussenstap: vanaf 2030 zou dan alsnog een volledige vermogenswinstbelasting moeten gelden.
De andere twee routes bewegen directer richting zo’n vermogenswinstbelasting. Het kabinet kan het huidige wetsvoorstel intrekken, het bestaande forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling langer laten bestaan en in 2030 in één keer overstappen. Of het kan al vanaf 2028 aandelen, obligaties, opties en andere financiële instrumenten onder een vermogenswinstbelasting brengen. Daarmee zou ongeveer 90 procent van het Box 3-vermogen waarop waardeveranderingen plaatsvinden al volgens dat principe worden belast. De resterende vermogensbestanddelen volgen dan vanaf 2030.
Die laatste route ligt voor de hand als vermogenswinstbelasting uiteindelijk toch de bestemming is. De uitvoering vormt hier opnieuw een struikelblok. Banken en andere financiële instellingen hebben hun systemen voorbereid op het huidige wetsvoorstel. Voor een ingrijpende wijziging is naar schatting anderhalf jaar aan voorbereidingstijd nodig vanaf het moment dat wetgeving en IT-specificaties definitief zijn. Een aangepast stelsel zou daardoor op zijn vroegst in 2029 uitvoerbaar zijn.
Belast alleen wat echt verdiend is
De voorkeur van de VEB blijft recht overeind. Ga naar een vermogenswinstbelasting waarbij belasting pas verschuldigd wordt als winst daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Vermijd zo mogelijk een kostbare en ingewikkelde tussenstap die enkele jaren later alweer wordt vervangen. Daarbij horen ook goede verliesverrekening, aftrek van relevante kosten en behoud van een heffingsvrije vermogensdrempel voor kleinere beleggers.
Inflatie
Een aspect dat in de huidige discussie opvallend weinig aandacht krijgt is inflatie. Het voorgestelde stelsel kijkt naar nominale rendementen. Stijgt een belegging bijvoorbeeld 6 procent terwijl prijzen met 4 procent oplopen, dan neemt de koopkracht grofweg maar 2 procent toe. Toch wordt fiscaal naar die volledige nominale stijging gekeken.
Daarmee is ‘werkelijk rendement’ niet automatisch hetzelfde als werkelijk verdiende koopkracht. Dat probleem speelt extra bij defensieve beleggingen waarvan het rendement maar beperkt boven de inflatie uitkomt. De VEB wees daar eerder al op.
Ook internationaal is daar discussie over. De OESO concludeerde in 2025 dat de meeste lidstaten vermogenswinsten pas bij realisatie belasten. De organisatie noemt het economisch zuiverder om bij kapitaalwinst rekening te houden met inflatie: een nominale stijging die volledig door geldontwaarding wordt veroorzaakt, vergroot immers de koopkracht niet. Expliciete inflatiecorrectie is nog zeldzaam, maar onder meer Chili, Israël en Mexico passen die voor bepaalde vermogenswinsten wel toe.
Inflatie en kosten moeten onderdeel worden van de volgende ronde in het Box 3-dossier. Als de politiek meer tijd neemt voor een nieuw stelsel, gebruik die tijd om het ook werkelijk beter te maken.
Lees het position paper van de VEB over Box 3