VEB.net maakt gebruik van cookies om het gebruiksgemak van de website te verbeteren. 

Concurrentievoordelen
Back >>

AkzoNobel was ooit een allround chemiebedrijf, maar is zich in de laatste jaren gaan toeleggen op lakken, verf en speciaalchemie. De in 2012 aangetreden Ton Büchner stuurt vooral op marges en rendement op geïnvesteerd kapitaal, in tegenstelling tot voorganger Hans Wijers die zich voornamelijk richtte op hogere verkopen. Na kostenbesparingen, het afstoten van een tiental matig renderende niet-kernactiviteiten en verdere stroomlijning van de organisatie worden de eerste contouren van het nieuwe AkzoNobel zichtbaar. Volgens topman Büchner, en de druk van een mogelijke overname door PPG helpt hier aan mee, is de tijd aangebroken om weer aan groei te denken. 

Maar heeft het nieuwe AkzoNobel ook (duurzame) concurrentievoordelen? Hiervoor is het belangrijk te onderkennen dat AkzoNobel nog steeds drie gezichten heeft: decoratieve verven (27 procent van de groepsomzet in 2015), coatings (40 procent) en speciaalchemie (33 procent).

Op de volgende punten punten heeft AkzoNobel voordeel op de concurrentie: 

 

De meeste beleggers zullen de decoratieve verven-divisie kennen van de potten Sikkens, Flexa en Dulux uit de bouwmarkt. AkzoNobel heeft een nummer één positie in deze consumentenmarkt in Europa en Zuid-Amerika en het is een dominante speler in veel Aziatische landen. Dat neemt niet weg dat deze markt zeer competitief is. Voor de meeste doe-het-zelf-klussers bepaalt niet het verfmerk, maar de aanbiedingsfolder van een bouwmarkt welke pot verf in de winkelwagen verdwijnt.

Hoewel AkzoNobel de juiste stappen neemt – het verkocht bijvoorbeeld de activiteiten in Noord-Amerika aan PPG, omdat het vuist kon maken tegen de grote Amerikaanse spelers – blijft het rendement van Decoratieve Verven het laagst van alle drie de divisies. In boekjaar 2016 werd volgens het jaarverslag een rendement behaald van 12,8 procent (ROI voor belastingen, 2015: 11,7 procent). Kostenbesparingen, efficiencyverbeteringen en innovaties – waaronder verf die de luchtkwaliteit in, voornamelijk Chinese, gebouwen moet verbeteren – zullen voor een verdere verbetering van het rendement moeten zorgen. Het is gegeven de moordende concurrentie de vraag of deze divisie een rendement zal behalen dat door alle facetten van de economische cyclus hoger ligt dan de kapitaalkosten.

Dat ligt anders voor de speciale coatingsdivisie, die in 2016 een rendement op geïnvesteerd kapitaal realiseerde van maar liefst 29,4 procent (2015: ook 29,4 procent). Deze divisie fabriceert de lakken en coatings voor auto’s, jumbojets en schepen. Maar de divisie houdt zich bijvoorbeeld ook bezig met de afwerking van laptops en iPads en fabriceert het laagje dat er voor zorgt dat een papieren drinkbeker niet lekt. Bij deze divisie lijkt sprake van een duurzaam concurrentievoordeel dat bestaat uit de nauwe betrokkenheid in het productieproces van haar klanten – denk aan Boeing, General Motors en Samsung. AkzoNobel denkt met de klant mee. Zo introduceerde de tak een coating voor auto’s die tot 80 procent sneller opdroogde, waardoor grote autobouwers tijd en geld besparen. De innige omhelzing tussen de divisie van AkzoNobel en haar klanten creëert overstapdrempels waardoor aantrekkelijke marges behaald kunnen worden en er sprake is van pricing power. Dat topman Büchner brood ziet in deze tak van sport blijkt wel uit de acquisitie van BASF’s industriële coatings-activiteiten begin 2016. Het bedrijf levert allerlei producten aan de windenergie-, bouw- en transportindustrie. Desalniettemin was 2016 een moeilijk jaar. Het onderdeel begint de lage olieprijs te voelen. Nu grote oliebedrijven investeringen afknijpen daalt ook de vraag naar coatings voor platforms, raffinagefabrieken en (olie)schepen. Büchner snijdt in de kosten door fabrieken in onder ander Azië te sluiten en overtollig personeel naar huis te sturen om de dip in de cyclus door te komen.   

De investeringen van AkzoNobel in R&D en de duizenden patenten zorgen voor een goede uitgangspositie van het concern ten opzichte van de concurrentie.Het rendement op speciaalchemie activiteiten ligt op 17,9 procent voor belasting (2015: 17,2 procent). Deze divisie produceert bijvoorbeeld polymeren voor auto-onderdelen en is met een omzet van circa vijf miljard euro in 2015 een kleinduimpje in een chemie-industrie van bijna 3,5 triljoen euro.

Het is lastig te beoordelen hoe onderscheidend de producten bij speciaal-chemie zijn, maar met bijna 18 procent rendement op geïnvesteerd kapitaal lijkt aannemelijk dat in ieder geval bij een gedeelte van de producten sprake is van een concurrentievoordeel. De chemietak is met afstand de meest kapitaalintensieve divisie van AkzoNobel (geïnvesteerd kapitaal 3,5 miljard euro). Direct na het “nee” tegen de avances van het Amerikaanse PPG liet CEO Büchner weten meer waarde te willen creëren voor AkzoNobel-aandeelhouders door de chemieactiviteiten als apart bedrijf naar de beurs te brengen of aan een ander chemiebedrijf te verkopen. Marktvorsers houden rekening met een opbrengst van rond de tien miljard euro, die aangewend kan worden om de verf- en coatingsactiviteiten te versterken.

Elke divisie van AkzoNobel kent zijn eigen economische dynamiek. Maar Büchner’s nadruk op marges en rendement komt duidelijk tot uiting in de jaarcijfers over 2016. Na bijna een decennium van waardevernietiging – een rendement op geïnvesteerd kapitaal dat structureel onder de kostenvoet van kapitaal ligt –) moet het onder Buchner mogelijk zijn om op concernniveau rendementen te boeken die hoger liggen dan de kapitaalkosten.

 
Risico's 

  • De verfmarkt consolideert en het is nog onduidelijk of AkzoNobel de rol van overnemer of de rol van prooi krijgt toebedeeld. In maart 2016 werd het concern benaderd met een overnamevoorstel van Amerikaanse branchegenoot PPG. Topman Büchner was weinig gecharmeerd van het voorstel. Het “ongevraagde” voorstel betekent een “significante onderwaardering van AkzoNobel” met “aanzienlijke risico’s en onzekerheden”, zo is de boodschap van de Nederlanders. Marktvorsers houden rekening met een nieuwe bod van PPG. De grote vraag is of AkzoNobel zich laat overnemen. Het bedrijf heeft een beschermingsconstructie en na de overnamepogingen van buitenlandse partijen op PostNL en Unilever heeft de Nederlandse politiek duidelijk gemaakt dat zij ook kijken naar mogelijkheden overnames te barricaderen (zie ook het Barometeronderdeel Corporate Governance).

  • Topman Buchner let erg op kosten, marges en rendement. Dit lijkt verstandig na een periode van ongebreidelde groei zonder enige waardecreatie. Maar de vraag lijkt nu wel terecht of en wanneer er weer groei komt. Hiervoor is AkzoNobel afhankelijk van groeimarkten als China, India en Brazilië (45 procent van de omzet). Een risico is dat de bouwbonanza in deze landen tot een abrupt einde komt.

  • AkzoNobel koopt jaarlijks voor ongeveer zeven miljard euro aan grondstoffen en energie in. Door deze enorme kostenpost is AkzoNobel sterk afhankelijk van de prijzen op grondstoffenmarkten. In het verleden bleek dat niet alle activiteiten hogere grondstofprijzen door kon schuiven naar klanten (geen pricing power). Het lijkt aannemelijk dat AkzoNobel nu enorm kan profiteren van de daling van de olieprijs en andere grondstoffen. Hierin zit ook een risico, omdat de olie-industrie ook weer een grote klant van het concern is – denk hier aan alle speciale lakken die niet meer nodig zijn voor schepen en olieboorplatforms.

  • AkzoNobel presteert al jarenlang slechter dan Amerikaanse concurrenten als Sherwin Williams en PPG Industries. Dit hangt voor een deel samen met de stevige blootstelling aan Europa, waar bouwmarkten in de laatste jaren compleet zijn ingestort (45 procent van de omzet). Nu de Europese economie weer uit het dal klimt kunnen de kansen van AkzoNobel keren.

 

Opmerking: De ROIC-cijfers op divisie-niveau zijn afkomstig van AkzoNobel zelf. Deze percentages liggen hoger dan de cijfers die wij berekenen. Dit komt omdat Akzo belastingen en de kosten van bijvoorbeeld het hoofdkantoor niet meeneemt in de berekeningen.