De jaarcijfers van OCI laten een wrang beeld zien. Het bedrijf verkoopt al jaren onderdelen, maar de waarde van wat overblijft wordt niet duidelijker, eerder vager.
Sterker nog: op meerdere punten lijken de cijfers eerder vragen op te roepen dan te beantwoorden.
Alsof er weinig haast is om beleggers een scherp beeld van de waarde te geven. Vier zaken vallen op. Drie minnen. Eén plus.
Dikke min 1: Geleen in de lift, maar gasprijzen vormen risico
Misschien wel de grootste paradox in de cijfers speelt zich af in Limburg. De Europese stikstofactiviteiten, met de fabriek in Geleen als kern, presteerden in de tweede helft aanzienlijk beter dan verwacht.
De winst viel fors hoger uit dan analisten hadden voorzien, vooral dankzij hogere prijzen voor stikstofmeststoffen. Toch kiest OCI er niet voor om dat als eerste te benadrukken. In plaats daarvan opent het bedrijf met een waarschuwing.
Het wijst op geopolitieke spanningen en stijgende gasprijzen, die leiden tot fors hogere productiekosten voor Europese producenten. Dat terwijl ook de kunstmestprijzen hard zijn gestegen, al is onduidelijk of die de hogere kosten volledig compenseren.
Even verderop volgt een zwaarder signaal. OCI waarschuwt dat de boekwaarde van de fabriek in Geleen, circa 290 miljoen dollar, mogelijk moet worden afgewaardeerd als de hoge gasprijzen aanhouden.
Dat is opvallend. Juist omdat OCI deze fabriek wil verkopen. Dit soort dikke disclaimers helpt niet bij het verkoopproces.
Dat maakt het des te opmerkelijker dat Geleen historisch juist profiteerde van hoge energieprijzen. De kracht van de locatie zit in de flexibiliteit: eigen productie, gecombineerd met importmogelijkheden via Rotterdam.
Daardoor kan OCI schakelen tussen produceren en inkopen, afhankelijk van de gasprijs. In eerdere periodes leidde dat juist tot hogere marges, omdat prijsstijgingen werden doorgegeven. Volgens topman Hassan Badrawi is die structuur ook na de recente verkoop van de terminal in Rotterdam nog altijd intact. Het maakt de nadruk op een mogelijke afwaardering lastig te begrijpen. Daarbij valt nog op dat vergelijkbare beursgenoteerde stikstofproducenten, zoals Yara International, momenteel juist tegen relatief hoge waarderingen noteren, ondanks dezelfde dynamiek van stijgende gasprijzen.
Dikke min 2: Nabetaling Fertiglobe blijkt mogelijk een dikke cashout
Een tweede punt van aandacht ligt in de nasleep van de verkoop van een meerderheidsbelang (50 procent plus 1 aandeel) in Fertiglobe in december 2023. OCI heeft daarbij 362 miljoen dollar in escrow geplaatst, een gereserveerd bedrag dat vrijkomt als de koper de door OCI afgegeven garanties niet inroept. Bij de aankondiging van de deal werd gesproken over een transactiewaarde van 3,62 miljard dollar. Precies 10 procent daarvan werd dus apart gezet.
Bij veel beleggers zal de verwachting zijn geweest dat een nabetaling slechts een kwestie van tijd was.
Uit de cijfers van deze week blijkt dat maar de vraag is of er überhaupt nog wel geld vrijvalt aan OCI. OCI schat nu opeens in dat de mogelijke uitkomst van de claims kunnen variëren van circa 100 miljoen dollar tot 680 miljoen dollar, en in uitzonderlijke gevallen zelfs nog hoger. Dat is een ongezien brede bandbreedte.
OCI schetst daarmee een scenario waarin het volledige bedrag dat nu apart is gezet op een escrowrekening verloren gaat en dat zelfs aanvullende betalingen van honderden miljoenen nodig kunnen zijn. Over de aard van de claims blijft het stil.
Dat wringt. Zeker omdat dit de vraag oproept hoe het kan dat OCI met deze voorwaarden heeft kunnen instemmen en of beleggers in eerdere cijferrapportages wel een volledig beeld gepresenteerd hebben gekregen van de risico’s rond deze Fertiglobe-verkoop en de voorwaarden van de escrow.
Een aanvullend punt van zorg zit in de periode waarin deze mogelijke verplichtingen op OCI kunnen afkomen. In de kleine lettertjes van de presentatie staat dat de looptijd van bepaalde garanties pas verstrijkt op het moment dat zich het laatste voordoet: ofwel april 2032, of de wettelijke verjaringstermijn of het moment waarop specifieke dossiers zijn afgerond. Dat betekent dat deze onzekerheid nog jaren kan blijven hangen. Dit soort langlopende onzekerheden vertaalt zich vrijwel altijd in een korting op de beurswaarde.
Op een vraag over een mogelijke schikking rond de Fertiglobe-escrow hield het bestuur de kaarten tegen de borst: “geen toelichting”.
Dikke min 3: Kosten voor de afbouw van een fabriek in Texas blijven maar oplopen
Een ander opvallend punt in de cijfers is de nieuwe ammoniakfabriek in Beaumont, Texas. Die fabriek is onderdeel van OCI’s plannen rond zogenoemde ‘schone ammoniak’, een brandstof en grondstof die mogelijk een rol kan spelen in de energietransitie.
Volgens de jaarcijfers die het bedrijf publiceerde, verwacht OCI dat de totale kosten van het Clean Ammonia-project uiteindelijk ongeveer 1,8 miljard dollar bedragen. Tijdens de analistenbijeenkomst bleek dat de kostenstijging onder meer samenhangt met vertragingen in het project, extra kosten om verdere vertraging te voorkomen en hogere claims bij de afronding van de bouw.
Dat bedrag ligt duidelijk hoger dan eerdere schattingen. Bij de presentatie van de halfjaarcijfers in september vorig jaar ging het bedrijf nog uit van een investering van ongeveer 1,65 miljard dollar. Drie maanden later werd die raming al verhoogd naar circa 1,7 miljard dollar.
Nu blijkt dat ook die inschatting te laag was.
Op zichzelf lijkt een kostenstijging van 100 miljoen dollar misschien beperkt bij zo’n groot project. Maar het valt extra op omdat de fabriek al bijna klaar is. Eind december werd zelfs voor het eerst ammoniak geproduceerd – een belangrijke stap voordat een fabriek volledig kan draaien.
Maar financieel is het verhaal nog niet af. Volgens OCI moet er nog ongeveer 228 miljoen dollar worden uitgegeven om de fabriek volledig af te bouwen en in gebruik te nemen. Dat bedrag is opgenomen als verplichting op de balans van OCI.
De reden daarvoor ligt in de verkoop van het project. OCI verkocht de fabriek eerder aan energiebedrijf Woodside, maar bleef verantwoordelijk voor het afronden van de bouw. Daardoor komen eventuele extra kosten nog steeds voor rekening van OCI.
Zodra het project volledig is afgerond, ontvangt OCI nog 470 miljoen dollar van koper Woodside. Per saldo betekent dat dat de afronding van het project OCI nog ongeveer 242 miljoen dollar oplevert (470 miljoen dollar inkomsten minus de 228 miljoen dollar aan extra kosten).
Een plusje: Methanex-belang levert financiële meevaller op
Tussen alle onzekerheden door is er ook nog een meevaller.
Toen OCI zijn methanolactiviteiten verkocht, kreeg het bedrijf als onderdeel van de deal een groot aandelenpakket in het Canadese methanolbedrijf Methanex.
De waarde daarvan is het afgelopen halfjaar flink gestegen. Door de spanningen rond Iran zijn methanolprijzen opgelopen. Iran is een belangrijke exporteur richting China, en verstoringen in die aanvoer werken direct door in de markt.
Dat zie je terug in het aandeel Methanex, dat inmiddels bijna een derde hoger staat.
Een deel van het pakket is inmiddels verkocht, zo bleek maandagochtend. Op 13 maart 2026 verkocht OCI circa 3,3 miljoen aandelen Methanex tegen 51,80 dollar per aandeel, goed voor een opbrengst van ongeveer 173 miljoen dollar.
Na deze verkoop bezit OCI nog altijd ongeveer 6,6 miljoen aandelen, wat neerkomt op circa 8,6 procent van Methanex.
Bij een slotkoers van 50,50 dollar per aandeel op 16 maart vertegenwoordigt dat resterende belang een waarde van ongeveer 335 miljoen dollar. OCI gaf daarbij aan in de eerste helft van dit jaar geen verdere Methanex-aandelen te willen verkopen.
Dat belang vormt daarmee een aanzienlijke financiële reserve voor OCI. Opgeteld gaat het om Methanex-aandelen met een waarde van ongeveer 505 miljoen dollar, ofwel 2,40 euro per aandeel OCI.
Restwaarde blijft diffuus
De afgelopen jaren verkocht OCI voor bijna 12 miljard dollar aan activiteiten en keerde het ongeveer 7 miljard dollar (ongeveer 31 euro per aandeel) uit aan aandeelhouders.
Wat overblijft is een veel kleiner bedrijf, met een fabriek in Geleen en een aantal financiële belangen uit eerdere verkopen. De grote vraag is wat die activiteiten waard zijn, en uiteindelijk bij een mogelijke verkoop zullen opleveren.
Opvallend is dat de recente cijfers en toelichtingen weinig doen om de waarde van die resterende onderdelen scherp neer te zetten. Integendeel: onzekerheden en risico’s krijgen nadrukkelijk de ruimte.
| Uitleg juridische procedure |
|
OCI kondigde vorig najaar aan dat het zich wilde laten overnemen door het Egyptische bouwbedrijf Orascom Construction. Beide bedrijven zijn grotendeels in handen van de Egyptische miljardair Nassef Sawiris. De Ondernemingskamer in Amsterdam heeft die transactie voorlopig verboden, onder meer op verzoek van de VEB, omdat de voorwaarden nadelig zijn voor minderheidsaandeelhouders. De voorgestelde ruilverhouding waardeerde Orascom relatief hoog en OCI juist laag, waardoor aandeelhouders van OCI waarde mislopen. Ook speelt het belangenconflict rond grootaandeelhouder Nassef Sawiris, die beide bedrijven controleert. Daarnaast zetten beleggers vraagtekens bij de strategische logica van een fusie tussen een bouwbedrijf en de restanten van een chemiebedrijf. Een ander bezwaar is dat OCI-aandeelhouders hun aandelen zouden moeten omzetten in aandelen Orascom, die genoteerd zijn in Abu Dhabi. Veel beleggers kunnen daar niet eenvoudig handelen en vallen bovendien onder een ander regime van beleggersbescherming. Zolang de juridische procedure loopt, blijft onduidelijk hoe de toekomst van OCI eruit zal zien: als zelfstandig beursbedrijf of als onderdeel van het bouwconcern rond Sawiris. |