VEB.net maakt gebruik van cookies om het gebruiksgemak van de website te verbeteren. 

Met opties kun je speculeren op allerlei koersontwikkelingen. Je kunt allereerst opties kopen, waarmee je kans maakt om je inleg vele malen te verdubbelen. Daarnaast kun je ze verkopen (ook wel ‘schrijven’), waarvoor je de optiepremie ontvangt. Een beschrijving van de soorten opties die er zijn en hoe deze werken.

               Lees eerst: wat zijn opties?            

Lees eerst: uitleg belangrijke optiebegrippen

 

Callopties
Je koopt of verkoopt het recht om aandelen te kunnen kopen tegen een vooraf vastgestelde uitoefenprijs. Dat betekent het volgende:

  • Koper: je verkrijgt het recht om te kopen. Daarvoor betaal je een optiepremie. Je speculeert zo op een koersstijging. Stijgt de koers boven de uitoefenprijs dan kun je de aandelen kopen tegen een lagere prijs dan deze op de beurs waard zijn. De optiepremie moet je er dan nog wel uithalen om op de positie te verdienen.
  • Verkoper (‘schrijver’): je levert het recht om te kopen en ontvangt daarvoor de optiepremie. Daarmee speculeer je op een koersdaling of gelijkblijvende koers. Stijgt de koers boven de uitoefenprijs dan moet je de aandelen (mogelijk) verkopen tegen een lagere prijs dan deze waard zijn op de beurs. De optiepremie die je ontving, fungeert daarbij als een buffer, aangezien je dat bedrag sowieso verdiend hebt.


Voorbeeld 
Een calloptie Unilever december 2012 € 20 (afgekort: call UN dec 12 20) is bijvoorbeeld het recht om tot en met de derde vrijdag van december 2012 honderd aandelen Unilever te kopen voor een prijs van 20 euro per stuk. De optiepremie is bijvoorbeeld 3 euro op moment x.


Zie grafiek 1 met daarin een fictief koersverloop gedurende twaalf maanden. Zolang de koers van het aandeel onder de 23 euro blijft (uitoefenprijs + optiepremie), zit de optieverkoper goed. Gaat die daarboven dan komt de situatie in het voordeel van de koper.

 
Grafiek 1: de werking van callopties


 

Een aantal scenario’s ter verduidelijking (zie rode stippellijnen):

  • De koper oefent de optie uit in maand 4 bij een koers van 23 euro per aandeel: de verkoper levert hem de aandelen en ontvangt daarvoor 20 euro per stuk (de uitoefenprijs). Tel daarbij de 3 euro optiepremie die hij eerder ontving van de koper en hij heeft 23 euro per aandeel ontvangen. De koper ontvangt aandelen ter waarde van 23 euro (de huidige beurskoers). Hiervoor heeft hij een even hoog bedrag betaald. Namelijk 20 euro voor de aandelen en daarnaast 3 euro aan (eerder betaalde) optiepremie. Zowel de koper als de verkoper hebben geen verlies of winst.
  • De koper oefent de optie uit in maand 8 bij een koers van 30 euro per aandeel: de verkoper levert hem de aandelen en ontvangt daarvoor 20 euro per stuk (uitoefenprijs). Tel daarbij de 3 euro optiepremie die hij reeds ontving van de koper en hij heeft 23 euro per aandeel ontvangen. De aandelen zijn inmiddels echter 30 euro waard op de beurs. De koper verdient dus 7 euro per aandeel, terwijl de verkoper ditzelfde bedrag verliest.
  • De koper oefent de optie niet uit en deze loopt waardeloos af (maand 12): de verkoper hoeft geen aandelen te leveren en heeft de optiepremie verdiend. De koper is (enkel) de optiepremie van 3 euro per aandeel kwijt.

 

Putopties
Je koopt of verkoopt het recht om aandelen te kunnen verkopen tegen een vooraf vastgestelde uitoefenprijs. Dat betekent het volgende:

  • Koper: je verkrijgt het recht om te verkopen. Daarvoor betaal je een optiepremie. Je speculeert zo op een koersdaling. Daalt de koers onder de uitoefenprijs dan kun je de aandelen tegen een hogere prijs verkopen dan deze waard zijn op de beurs. De optiepremie moet je er dan nog wel uithalen om op de positie te verdienen. Houd er rekening mee dat putopties relatief duur zijn omdat veel beleggers ze graag gebruiken om hun portefeuille te beschermen tegen koersdalingen.
  • Verkoper (‘schrijver’): je levert het recht om te verkopen en ontvangt daarvoor de optiepremie. Daarmee speculeer je op een koersstijging of gelijkblijvende koers. Daalt de koers tot onder de uitoefenprijs dan moet je (mogelijk) de aandelen kopen van de koper tegen een hogere prijs dan de beurskoers. De optiepremie die je ontving, fungeert daarbij als een buffer, aangezien je dat bedrag sowieso verdiend hebt. Het schrijven van putopties is de juiste strategie bij lagere, gelijkblijvende en licht stijgende koersen.

Voorbeeld
Een putoptie Akzo Nobel december 2012 € 45,00 (afgekort: put AKZ dec 12 45) is bijvoorbeeld het recht om tot en met de derde vrijdag van december 2012 honderd aandelen Akzo Nobel te verkopen voor een prijs van 45 euro per stuk. De optiepremie is bijvoorbeeld 3 euro op moment x.

Zie grafiek 2 met daarin een fictief koersverloop gedurende twaalf maanden. Zolang de koers boven de 42 euro blijft, zit de optieverkoper goed. Gaat die daaronder dan komt de situatie in het voordeel van de koper.


Grafiek 2: de werking van putopties



Een aantal scenario’s ter verduidelijking (zie rode stippellijnen):

  • De koper oefent de optie uit in maand 4 bij een koers van 42 euro per aandeel: de koper koopt de aandelen op de beurs voor 42 euro. De verkoper neemt ze vervolgens van hem af voor 45 euro per stuk (uitoefenprijs). Trek daar vanaf de 3 euro optiepremie die de verkoper reeds ontving van de koper en de verkoper heeft netto 42 euro per aandeel betaald (de huidige beurskoers). De koper ontvangt 45 euro per aandeel, waar hij de 3 euro kosten voor de optiepremie vanaf moet trekken. Hij betaalt dus netto 42 euro per aandeel (de huidige beurskoers). Zowel de koper als de verkoper hebben geen direct verlies of winst.
  • De koper oefent de optie uit in maand 9 bij een koers van 30 euro per aandeel: de koper koopt de aandelen op de beurs voor 30 euro. De verkoper neemt ze vervolgens van hem af voor 45 euro per stuk (uitoefenprijs). De koper verdient zo 15 euro per aandeel. Trek daar vanaf de 3 euro optiepremie die hij reeds betaalde aan de verkoper en hij verdient netto 12 euro per aandeel (400% rendement). De verkoper verliest ditzelfde bedrag.
  • De koper oefent de optie niet uit: de verkoper hoeft geen aandelen te leveren en mag de optiepremie houden. De koper is (enkel) de optiepremie kwijt.

 

Kosten van optiehandel
Bovenstaande voorbeelden tonen niet het gehele kostenplaatje. De kosten van optiehandel zijn buiten beschouwing gelaten, terwijl die vrij significant kunnen zijn. Beleggers moeten ze meerekenen om winst of verlies op posities te bepalen.

Over de kosten van optiehandel

 

Wanneer zit de optiebelegger goed?
Optiehandel is een zogenaamde ‘zero-sum’ belegging. Om geld te kunnen verdienen, moet iemand anders geld verliezen.

In beginsel zit de koper goed wanneer zijn optie intrinsieke waarde heeft, oftewel in-the-money is (lichtblauwe vlakken in de grafieken hierboven). Deze zal dan geld opleveren. De verkoper zit daarentegen goed wanneer de optie out-of-the-money of at-the-money is.

Maar dat is niet het hele plaatje. Ook de optiepremie is een relevante factor. Dit bedrag heeft de koper immers betaald en de verkoper ontvangen. De koper wil ook deze kosten eruit hebben, en voor de verkoper vormen ze feitelijk een extra buffer. Tot slot zijn er de kosten van optiehandel.

Onbeperkt winst of verlies
De optieverkoper (schrijver) kan mogelijk veel verlies lijden. We nemen een calloptie als voorbeeld. Daarbij is de verkoper verplicht om aandelen af te nemen tegen een vooraf vastgestelde prijs (uitoefenprijs). In dit geval kan het verlies in theorie zonder beperking doorlopen.

Denk aan aandelen van een farmaceut die een nieuw medicijn goedgekeurd krijgt of een mijnbouwbedrijf dat een belangrijke nieuwe mijn ontdekt. In deze gevallen kan de koers van het aandeel gemakkelijk (meerdere malen) verdubbelen. De optieverkoper moet de aandelen dan verkopen tegen een veel lagere waarde dan de beurskoers.

Bij putopties werkt het tegenovergesteld. De verkoper (schrijver) moet nu aandelen kopen tegen de uitoefenprijs. Staat het onderliggende bedrijf plots aan het randje van de afgrond, dan moet de verkoper alsnog de aandelen afnemen van de optiekoper tegen de uitoefenprijs.

Gedekt of ongedekt verkopen
Verkopers van callopties bezitten vaak de aandelen waarop de opties betrekking hebben (‘gedekt verkopen of schrijven’). Maar niet altijd. Het is ook mogelijk om ongedekt callopties te verkopen. In dit geval bestaat het risico dat de verkoper aandelen moet leveren die hij niet heeft.

Dat is op zichzelf geen probleem, omdat de aandelen op elk moment alsnog op de beurs gekocht kunnen worden. Het wordt pas een probleem als de verkoper onvoldoende geld heeft om de aandelen te kopen. Dan komt hij in de schulden. Vooral bij callopties kan dat link zijn omdat het mogelijke verlies in principe onbeperkt is (een koers kan alsmaar blijven stijgen).

De verkoper van opties neemt dus een groot risico als hij verplichtingen aangaat die hij in een ongunstig scenario niet kan nakomen. Het is daarom verstandig alleen te schrijven als er een dekking is, in bijvoorbeeld contanten. Vaak verplicht de bank de schrijver overigens om een margin aan te houden ter dekking.