VEB.net maakt gebruik van cookies om het gebruiksgemak van de website te verbeteren. 

Wie wil handelen in opties moet zich een nieuwe taal eigen maken. Er zijn verschillende begrippen die relevant zijn voor de optiebelegger. Deze optieterminologie wordt hier beschreven.

De volgende grafiek dient ter illustratie van enkele in dit artikel aangehaalde begrippen.

Grafiek 1: Illustratie putoptie (koper speculeert op daling aandeel)

 


Onderliggende waarde
Een optie biedt het recht om een onderliggende waarde te kopen of verkopen. Vaak gaat het om aandelen, maar andere voorbeelden zijn: obligaties, valuta’s, aandelenindices, aardappels, sinaasappelsap en edele metalen. We gaan bij onderstaande begrippen telkens uit van aandelen.

 

Uitoefenprijs
Elke optie biedt het recht om aandelen te kopen of verkopen tegen een vooraf vastgestelde prijs: de uitoefenprijs. Hoe de koers van het (onderliggende) aandeel ook beweegt, de uitoefenprijs staat vast. Optiebeleggen draait geheel om het verschil tussen de uitoefenprijs en de koers van het (onderliggende) aandeel. Daarin zit de winst of het verlies voor de optiebelegger. 

Per aandeel bestaan vaak tientallen optiesoorten (series) met verschillende uitoefenprijzen. Bij een koers van een aandeel van 28 euro kunnen bijvoorbeeld call- en putopties beschikbaar zijn met uitoefenprijzen van 15, 20, 25, 30, 35 en 40 euro.

In grafiek 1 is de uitoefenprijs 25 euro (zie horizontale gestipte lijn).

 

Intrinsieke waarde
Dit is het verschil tussen de uitoefenprijs van de optie en de koers van het aandeel. Als een optie intrinsieke waarde heeft, is deze ‘in-the-money’.

Zie grafiek 1 (rode verticale gestipte lijn). Deze putoptie heeft een uitoefenprijs van 25 euro. Als de aandelen op dit moment 15 euro kosten (zie maand 7-10), is de intrinsieke waarde van de opties 10 euro (25-15 euro). Voor minder dan dit bedrag zullen deze opties niet verkocht worden.

De koper van de optie kan namelijk direct zijn verkooprecht uitoefenen en honderd aandelen voor 15 euro op de beurs kopen, om deze direct weer voor 25 euro te verkopen, waardoor hij 1.000 euro (= 100 x € 10) verdient. De optiepremie en kosten van optiehandel moeten daar dan nog wel op in minder gebracht worden om te kunnen spreken van ‘winst’.    
 

Koper
Verkrijgt het recht om aandelen te kopen of verkopen. Hij betaalt de optiepremie en ontvangt mogelijkerwijs een mooi rendement op zijn beperkte investering. Maximaal verliest de koper de betaalde optiepremie. 

Verkoper (ook wel ‘schrijver’)
Verstrekt het recht om aandelen te kopen of verkopen. Hiervoor ontvangt hij de optiepremie van de koper.

De risico’s voor de verkoper liggen hiermee vele malen hoger, aangezien hij in het geval van callopties theoretisch een onbeperkt verlies kan leiden. Zeker wanneer hij de aandelen niet bezit.

 

Optiepremie (koers optie)
Beleggers die een optie verkopen, willen hiervoor een beloning: de optiepremie. Dit is een eenmalige vergoeding voor het risico dat de verkoper loopt dat hij de beleggingen moet leveren of kopen. Dat gebeurt namelijk altijd tegen een ongunstige waarde en hij leidt in dat geval verlies.

De optiepremie kan de verkoper leuk extra rendement opleveren. Weliswaar enkel indien zijn voorspelling goed uitpakt. De optiepremie is tegelijkertijd ook de beurskoers van de optie.
 

Wat de hoogte van de optiepremie bepaalt


Looptijd
Elke optie heeft een vooraf vastgestelde looptijd. Aan het einde van de looptijd heeft de koper niet langer meer het recht om aandelen te kopen (callopties) of verkopen (putopties). De optie loopt, bij het niet uitoefenen daarvan, waardeloos af. In het voorbeeld van grafiek 1 is de looptijd bijvoorbeeld 12 maanden.

 

Callopties
Bieden het recht om aandelen te kopen tegen een vooraf vastgestelde uitoefenprijs. De koper speculeert op een waardestijging, terwijl de verkoper speculeert op een gelijkblijvende of dalende waarde. Oefent de koper zijn optie uit, dan moet de verkoper de aandelen tegen de uitoefenprijs aan hem verkopen. Zoals eerder gemeld, kan dit zeer risicovol zijn voor de verkoper.

Lees meer over de werking van callopties op de VEB-website.

 

Putopties
Bieden het recht om aandelen te verkopen tegen een vooraf vastgestelde uitoefenprijs. De koper speculeert op een waardedaling, terwijl de verkoper speculeert op een gelijkblijvende of stijgende waarde. Indien de koper zijn optie uitoefent, moet de verkoper de aandelen tegen de uitoefenprijs van hem afnemen. Grafiek 1 toont een putoptie.

Lees meer over de werking van putopties.

 

Spread
Dit is het verschil tussen de prijs waarvoor een optie op hetzelfde moment gekocht (biedprijs) en verkocht kan worden (laatprijs). Het verschil pakt altijd negatief uit voor de belegger. De spread is daarmee een verlies dat de optiebelegger bij aanschaf moet nemen. Hij krijgt immers op het moment van aanschaf direct minder terug voor zijn belegging dan hij ervoor betaalt.

Wanneer een optie beperkt verhandelt, is de spread doorgaans groter. Dat betekent dus feitelijk ook grotere ‘verliezen’ voor de belegger. Het is belangrijk om je bewust te zijn van deze ‘verborgen’ kosten van het beleggen in opties.

In- en out-of-the-money
Wanneer een optie in-the-money is, dan is dat in principe gunstig voor de koper. Het betekent dat de koers van de aandelen hoger (in het geval van callopties) of lager (in het geval van putopties) ligt dan de uitoefenprijs. Er is intrinsieke waarde, de opties leveren wat op bij uitoefening.

Let wel: de koper moet eerst nog de ‘optiepremie’ en kosten van het beleggen in opties terugverdienen om winst te kunnen maken. Het grijze veld in grafiek 1 is in-the money voor een putoptie.

Wanneer een optie out-of-the-money is, is dat juist in het voordeel van de verkoper. Het betekent dat de opties geen intrinsieke waarde hebben en dat de koper er op dat moment geen voordeel uit kan halen. Zie het lichtblauwe veld in grafiek 1.

Ook kan een optie at-the-money zijn. In dat geval ligt de uitoefenprijs precies op of vlak bij de koers van het aandeel. Zie het donkerblauwe veld in grafiek 1. Op dat moment is de positie verlieslatend voor de koper en winstgevend voor de verkoper (weliswaar afhankelijk van de kosten van optiehandel). De optiepremie is immers eerder door de koper betaald aan de verkoper, waardoor de verkoper plust. 

 

Tijdswaarde
Aandeelkoersen staan bloot aan volatiliteit: ze reageren op onvoorspelbare marktontwikkelingen. Hoe langer de resterende looptijd van een optie hoe meer er daarom kan gebeuren met het onderliggende aandeel.

Wanneer de koers van het aandeel en de uitoefenprijs van de optie gelijk zijn (at-the-money), heeft een optie daarom vaak nog wel waarde. Er is immers nog steeds een kans dat de optie in-the-money geraakt. Zeker bij een langere resterende looptijd. Dat geldt zelfs wanneer opties out-of-the-money zijn.